Breukje

Het is een week geleden dat ik een breuk in mijn pols heb opgelopen door een val.
Ik krijg een digitale reminder van de terugkom-ziekenhuisafspraak en de mededeling dat ik, i.v.m. Coronabesmetting NIET te vroeg mag komen.

We moeten ca. 15 km rijden naar het ziekenhuis, een ander ziekenhuis dan waar ik op de Eerste Hulp geholpen ben.

In de hal staan zullen machines staan waarin je je paspoort, rijbewijs of ID kunt stoppen, waarna er een ticket met tijd en waar je heen moet, uit komt rollen.

Maar eerst moet ik alleen (lief mag NIET mee) door de triagetent. Vragen over hoe ik me voel en met wie ik in contact ben geweest en na de “goede” antwoorden mag ik doorlopen naar de hal en de machine. Die geeft aan dat ik naar de gipskamer moet én op dezelfde tijd naar de afdeling chirurgie.

Bij de gipskamer word ik bijna onmiddellijk binnengeroepen en naar een stoel verwezen, die naast een bed staat. Er loopt tussen de 4 verpleegsters (gipsmeesteressen?) 1 witgejaste man. (De dokter zo blijkt later) Eén van de meisjes komt met een schaar naar me toe en vertelt dat ze mijn gips open gaat knippen, maar dat het geen pijn gaat doen er zitten stompe punten aan de schaar.
Als ze klaar is zegt ze dat de dokter zo bij me komt.

Ik schrik van mijn pols en arm, blauw, paars, geel en groen
”Wat hebben we hier?” Vraagt de naderende dokter en ik antwoord “ Botbreukje”
Hij glimlacht  en verbetert: “Gebroken pols, mevrouw!”
Ik wilde het niet erger maken dan het was (bovendien zeiden ze in het andere ziekenhuis ”scheurtje in het bot”)
“U mag zeggen wat u wil maar het is een gebroken pols, wél een mooie breuk, dat wel”
Hij voelt, kijkt en drukt. Ik merk op dat ik niet verwacht had dat het zo blauw zou zijn.
“Botbreuken kunnen bloeden, en dat heeft deze ook gedaan
U krijgt 3 weken kunstgips. Eigenlijk moet het 6 weken, maar dan is alles stijf, dus we proberen 4 weken en kijken dan hoe het ervoor staat. De verpleegster komt u gipsen en dan graag een afspraak voor over 3 weken.
Hij groet en loopt naar een computer in een hoek waar hij staande op gaat typen.
Een verpleegster komt me gipsen, háár kan ik vragen waarom eerst “echt” gips en nu kunstgips gebruikt gaat worden.
Het blijkt dat een Eerste Hulppost meestal ECHT gips gebruikt. Echt gips wordt aangebracht  met een lengterichtingopening: de wond kan immers i het begin nog gaan zwellen
Kunstgips is helemaal dicht, veel harder, maar ook lichter.

Dan mag ik een kleur gips kiezen, er is roze met bloemetjes en rood/ geel met friemels, maar ik ga voor het simpele licht blauw. Goede keus, vindt mijn gipsdame.
Ze vraagt of  ik wil dat ze mijn “zere” hand eens goed schoon zal maken, want desinfecteren is natuurlijk een week niet gebeurd omdat het gips beslist NIET nat mag worden.
Ik ben blij met het aanbod, en de alcohol vloeit rijkelijk (op mijn handhuid, niet in mijn keel)

Ze vraagt hoe het met de pinda’s is afgelopen.
????
“Het stond bij mijn info: gevallen bij het pinda’s ophangen in de tuin!”
– Ze hangen er NU wel, maar niet dankzij mij! –
Als ik klaar ben moet ik even zo blijven zitten tot het droog is en dan mag ik naar de balie een afspraak maken voor over 3 weken.
Tot dan, roept de vrolijke verpleegster me na.

Bij de afsprakenbalie zit een strengkijkende  matrone.
Naam?
Ik zeg hem én dat ik over 3 weken terug moet komen.
“Twee” zegt zij
Drie zeg ik
“Hier staat 2
Gelukkig komt net mijn gipster aanlopen
“Over 3 weken terugkomen toch?”
Ja
Deze dame zegt 2

De dame kiest eieren voor haar geld :” O, nee er staat toch 3”
???!!!!
Ze noemt een datum en tijd.
Ik knik
Ze rammelt wat op de computer.
Ik vraag of ze de datum en tijd even voor me op wil schrijven.
Ze kijkt me vernietigend aan: “U krijgt een etiketje”
Ik pak het aan en knik haar toe (een mondelinge groet is voor deze dame teveel)

Ik loop naar de uitgang en zie een mevrouw zonder mondkapje.
Kennelijk kijken mijn ogen boven mijn mondkapje boos, vragend of…….?
Want de dame snauwt me toe: “ Ja, er zijn uitzonderingen en dat ben IK. Ik zie je wel kijken!”
Ik zeg niets en loop door. Zodra ik de triagetent door ben ruk ik mijn mondkapje af.
Lucht, ik wil frisse lucht.

Mijn breuk is goed en lief gegipst, een dokter heeft er goed naar gekeken en ik mag de eerstvolgende 3 weken met een rechter lichtblauwe arm door het leven. Het leven kan goed zijn!

Na de gipskamer kwamen minder aangename encounters, maar ach niet iedereen is altijd blij met haar/zijn leven!


Genode en ongenode gasten

Als je beesten voert komen ze en blijven ze komen, óók beesten die je liever niet wilt.
Door de pinda’s, vogelzaad en vetbollen hebben we in vóór en achtertuin genode gasten, pimpel- en koolmezen, een enkele lijster, spreeuwen en mussen, hout- en tortelduiven (al dan niet Turks), Vlaamse gaaien en eksters, roodborstje en af en toe een specht, een eekhoorn of egels én laatst voor het eerst een goudhaantje.

De ongenode gasten  zijn tegenwoordig muizen; we hebben er 3 tegelijk (in de tuin) gezien, maar iedereen zegt dat het er dan méér zullen zijn.
Deze foto maakte mijn lief vanachter het glas, 3 muizen met uitwapperende staartjes in het vetbolverzamelding!

Vanmorgen vroeg, ik typte mijn blog, hoorde ik een plons in onze vijver. Soms doen onze (grote) koi’s dat en geeft dat flink wat gespetter, ik keek toch even op van mijn laptop: een reiger; midden in de vijver.
Als er, een enkele keer, een reiger in de tuin zit, open ik de schuifpui en vliegt hij of zij weg.
Nu, met mijn rechterhand in het gips krijg ik de schuifpui niet open. Ik tikte tegen de ruit en riep ksst kst. Niet erg imponerend, ik geef het toe, maar genoeg om de reiger op te laten vliegen.
Gestreste vissen zaten onderin de vijver (het is helder en de lelie- en andere bladen zijn nu vergaan, dus de vissen zijn goed zichtbaar, voor ons, maar dus ook voor de reiger!)

Ik keer terug naar mijn laptop. Er valt een donkere schaduw, de reiger landt aan de andere kant van de vijver. Ik ram tegen het raam, hij kijkt mijn kant op, ik zie hem denken” en wat denk jij hieraan te doen, even snacken, dame”. Ik knijp met mijn “goede” hand in de deur van de schuifpui, druk en trek en knijp en hoor een klik. Dié klik hoorde de reiger ook: de deur kan dus wél open. Hij vliegt weg.

Nu ik de schuifpui open heb, loop ik naar buiten; op het dak van het buurhuis zit de bijna- moordenaar!
Ik maak een foto.

Misschien hebben we ook het verkeerde bord naast de vijver staan.

Als ik terugkom van de toilet zie ik de reiger in onze klimop landen; nu is de deurklik genoeg om hem op te laten schrikken. Ik ga voor het raam zitten op te letten tot mijn lief naar beneden komt.
Hij ziet dan de reiger op de heg van de buren zitten mét de blik naar onze vijver.

We vinden het allebei vreselijk, een net over de vijver, maar NU is de tijd gekomen dat het MOET; deze reiger blijft terugkomen totdat de vijver leeggegeten is.
Mijn lief pakt het (zelf ontworpen) opklapbare net uit de schuur en installeert het over de vijver.
Jammer voor het zicht, maar de vissen moeten beschermd worden.

Foto’s van de vijver, toen deze nog met “groen” was én nu met net!


Een tijdje na dit reigeravontuur zie ik een poes voor de schuifpui langslopen.
Poezen wil ik NIET in de tuin, maar verbied het ze maar eens! Roepen en tikken tegen de ruit helpt bij bijna geen één kat. Deze kat wil ook niet weg: een dikke rode poes snuft onder een struikje.
Wéér kan ik dierengedachten lezen:
MUIZEN, jammie!”  
Wéér een ongenode gast die ik met ksst ksst uiteindelijk de tuin uitkrijg, nou ja, op de poort blijft hij zitten en blijft hij ( of zij) naar me kijken.
OP de poort is niet wezenlijk IN de tuin, dus ik laat het zo.
ik heb genoeg “verjaagd” vandaag!

Een kuil met een verhaal.

We wandelen wat af in Coronatijd. Dichtbij en soms wat verder weg.
We lopen op wegen en paden waar we anders alleen op fietsen of autorijden.
Zo ook gisteren in Naarden. Daar zien we een stuk verlaagd gebied. Nooit eerder gezien
Wat en waarom zou dat daar zijn? We lopen erom heen, krijgen geen hint.
Thuis maar eens op internet kijken.

We lopen naar de auto en daar komen we een oud-collega van me tegen, ook lopend.
We praten even en vertellen dat we nieuwsgierig zijn naar een stuk verlaagd land.





Hij weet te vertellen dat een Dirk Lustig het terrein dat op de grens ligt van de gemeente huizen en de gemeente Naarden in 1931 kocht om er zand af te graven, dat zand ging naar Muiden om daar forten van te bouwen. Dirk verdiende daar een lieve duit aan*)

Er heeft nooit een huis gestaan ( daar waren wel ooit plannen voor) wel een schuur. Mijn ex- collega wist nog te vertellen dat er ook nog in de kuil wilde dieren werden gehuisvest.

Op het moment dat mijn ex-collega dát vertelt komen er 2 dames met hond langs die óók mijn ex-collega blijken te kennen. Ze groetten en vragen wat hij NU weer staat te vertellen.
Hij lacht en zegt dat hij over Dirk Lustig , de afgraving én zijn wilde dieren vertelt.
“Die wilde dieren was ná Dirk Lustig, die was toen al verhuist, de gebroerders Hulst hadden daar een handeltje in circusdieren. Er zaten er zo’n 40; één van de luipaarden is nog eens ontsnapt!” **)




De dames lopen verder. Het verhaal wordt steeds interessanter.
Mijn collega vertelt nog dat er nu “gedoe” over het stuk grond is omdat een projectontwikkelaar daar een appartementengebouw met 37 koopwoningen wil neerzetten en omdat er ooit een gebouw zou komen, is dat een reële mogelijkheid

Zo’n kleurrijk verhaal hadden we niet verwacht toen we ons afvroegen wat dat voor kuil zou zijn!
Fijn dat we de  “alwetende ”ex-collega tegenkwamen én zijn kennissen; nu werd het een completer plaatje!

*) Later lees ik thuis op internet dat er totaal 72.000m3 zand is afgegraven en dat de kuil een diepte had van tussen de 6 en 8 meter

**) Ook het krantenbericht mét foto uit 1993 over het ontsnapte luipaard, dat bij de Limieten is verdoofd en gevangen door politie én een ervaren dierentemmer komt op internet te voorschijn!

Meer vormen van golf

Mijn oudste broer woonde het grootste gedeelte van zijn leven in Engeland.
Zijn sport was golf.
Als ik in Engeland was, keken we samen vaak golfwedstrijden op t.v en ook ging ik wel eens mee naar zijn golfclub.
Golf was ook “nodig” voor het zakenleven, zei hij. Je sloot er als zakenman deals af en nam (potentiële) klanten mee naar de golfclub. Mijn broer ging ook op “golf” vakanties met zijn maatjes naar Schotland, Spanje en Amerika.

“Zijn ” golfbaan



Broer en ik hadden een totaal ander leven. Hij genoot soms van het onze en was blij dat hij weer terug kon naar het zijne en wij hadden hetzelfde als we in Engeland waren.

Mijn broer speelde dus ECHT golf, dát was in zijn ogen de enige sport, hij had ooit zijn Golf license (GVB) gehaald en was lid van een golfclub

In Engeland zijn ook andere vormen van golf (meer voor de “gewone” man/vrouw)
Voor miniaturegolf, hoef je geen lid te zijn,  dat kan iedereen spelen, veel kortere banen dan bij “gewoon” golf, geen GVB nodig. In Nederland vaak vergelijkbaar met Pitch & Putt

Bij adventuregolf of  crazygolf, gaat het alleen om putting, het balletje in een hole slaan, daarbij komt de bal (of hoort hij te komen) door tunneltjes, over heuveltjes, of gebouwtjes; in Nederland noemen we dat midgetgolf.

Hier in Nederland speelden we vroeger midgetgolf. Niet ver uit de buurt van mijn geboorteplaats liggen banen, die vroeger (misschien nog wel?) bekend stonden als de mooiste midgetgolfbanen van Europa: de Lage Vuursche!  
Nu zijn daar 3 soorten banen: gras, gravel en biljart (’s winters gesloten, normaliter met Maart weer open)

Sinds mijn broer overleden is en zijn weduwe naar een ander deel van Engeland is verhuisd gaan we, als we haar bezoeken altijd minstens één keer golfen op de public miniature golfbaan in Brighton; een soort pitch & puttbaan: Korte  afslagafstanden, schuinaflopend met uitzicht op de zee, prachtig gelegen.


Sinds 1998 bestaan er ook in Nederland Pitch & Putt banen en komen er steeds meer. (Zie op https://pitch-putt.nl/banen/ voor baan bij jou in de buurt)

Ik heb al wat blogs geschreven over de baan waar wij het meeste spelen; Strand Horst:
Adres: Palmbosweg 4,Ermelo, Telefoonnummer vast: 0341 552 431 Email: strandhorst@pitch-putt.nl. Ook nu mogelijk om te spelen, na vooraf reservering.

Vleermuizen verdelgen ook!

Fietsend door het Gooi zagen we onlangs “opeens”  grijze platte dozen aan bomen hangen.
Het blijken vleermuizenkasten te zijn. Ik had al eens eerder vleermuizenkasten gezien, maar nog nooit  in deze vorm.

Het blijkt dat meerdere gemeentes gehoor hebben gegeven hebben aan de, van verschillende kanten gedane, (smeek) bede:

Help  de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups.

Eind 2019 zijn er al veel mezenkasten opgehangen, omdat kool- en pimpelmezen én hun al dan niet gevederde mezenkinderen erg graag processierupsen eten. Door het ophangen van deze mezenkasten waren er afgelopen lente minder processierupsen dan het jaar daarvoor, heb ik me laten vertellen.

Nu las ik in een uitgave van de gemeente Eemnes: We stimuleren de natuurlijke vijanden van de rupsen (o.a. kool- en pimpelmees, boomklever, vleermuis, sluipwespen) door te zorgen voor meer biodiversiteit, meer (en lang) bloeiende ondergroei bij bomen, meer nestkasten voor mezen en mussen en meer vleermuizenkasten.

Dus vandaar meer vleermuizenkasten in openbaar groen in Eemnes en omliggende gemeentes.
Ik had al eerder vleermuizenkasten in het Gooi gezien, op het terrein van het klooster  van de Stad Gods (Hilversum) Die hingen daar, zo te zien, al heel wat langer, waren zwart en anders van vorm.

In een uitgave van NatureToday las ik dat, omdat ook in Nederland de gevolgen van klimaatverandering merkbaar zijn en de zomers steeds warmer worden, dat het vroegere advies van zwarte vleermuiskasten hoognodig herzien zou moeten worden.*)
Uit onderzoek is namelijk gebleken dat donkere kasten snel kunnen leiden tot oververhitting en daarmee negatieve gevolgen kunnen opleveren voor vleermuizen.

Vandaar dat deze gemeentes waarschijnlijk grijze vleermuizenkasten had aangeschaft (of laten maken)

Ik heb nog nooit een vleermuis kunnen fotograferen, wél een beeld van een vleermuis!



*) ook het advies om ze op het zuiden te hangen, zou volgens NatureToday, niet meer moeten gelden.(Ik heb niet opgelet in welke richting de vleermuizenkasten NU hangen)

Januaritemperaturen

De Rijksoverheid schrijft op haar site:
Het klimaat is altijd in beweging. Natuurlijke en menselijke invloeden zorgen voor verandering. Zo is de gemiddelde temperatuur van de aarde in de afgelopen 130 jaar met 1 graad gestegen. Ook is de zeespiegel in die tijd met 20 centimeter gestegen. Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor mens, natuur en milieu.

Natuurlijk weten we dat! Sommige mensen maken zich er (ernstige) zorgen over, anderen zeggen dat het allemaal “flauwekul” is.  Een feit is het dat de zomers heter worden en de winters kouder.




Elders las ik dat januari “vroeger” altijd de koudste maand was van het jaar; in de achttiende eeuw was de gemiddelde januaritemperatuur een halve graad.

KNMI in de sneeuw

De koudste januarimaand  uit de instrumentale geschiedenis was in 1823; de gemiddelde temperatuur toen was -7; er werd in die maand ook een temperatuur van -24 graden gemeten:
in Nederland!

Afgelopen jaar, 2020, hebben we in januari een temperatuurrecord gehad: In de Bilt werd op 31 januari een temperatuur gemeten van 12,3 graden; de warmste januari dag ooit

Ik denk dat bovenstaande feiten wel genoeg voor zichzelf spreken: Klimaatverandering!

Dutch en Deutsch

Al heel jong was ik me bewust van dat Engelsen met taal Hollanders vaak  in negatieve zin aanhalen.
Double Dutch (onverstaanbaar praten) Going Dutch (bij een date voor jezelf betalen) Dutch Alps (kleine borsten) en Dutch courage  (moed hebben die te wijten is aan drank!)

De Engelsen die we daar ontmoeten (regelmatig familiebezoek) weten zelf ook niet hoe die uitdrukkingen ontstaan zijn.

Die negatieve uitlatingen, zo las ik onlangs, schijnen begonnen te zijn in de 17e en 18e eeuw toen oorlogen werden gevoerd tussen Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden om de controle over de zee- en handelsroutes.


De Engelsen beschouwden ons toen als concurrenten in de strijd om de koloniën en  gaven ons een imago van machtsbeluste lieden. Ze vonden dat wij het, voor zo’n klein landje, nogal hoog in onze bol hadden. Vandaar de vele negatieve uitdrukkingen met Dutch erin

De Amerikanen deden er in de 19e eeuw nog een schepje bovenop dingen met méér negatieve uitlatingen die “Dutch” genoemd werden.

Dáár hadden wij, Hollanders, echter niets mee te maken!
In de 19e eeuw trokken er miljoenen Duitse immigranten naar Amerika.  
De Engelstalige inwoners van de VS voelden zich overlopen. Ze duidden de “Deutsche” nieuwkomers aan als “Dutch”
Alles wat slecht was, projecteerden ze op hen. Een voorbeeld: de Duitse immigranten golden als mensen die zich niet aan de regels hielden,  vandaar dat een term als “Dutch crossing” (de straat oversteken zonder de regels te respecteren) daar en toen ontstaan is.

In september van vorig jaar verscheen een boek van de hand van Gaston Dorren, de “Dutchionary”, een boek vol uitspraken (vooroordelen)  over the Dutch (Nederlanders én Duitsers) die ontstaan zijn in Engeland én de VS!

SNELLE ZORG

Wij voeren vogels in de voor-en achtertuin.
Birdfeeder met zaadjes, vetbollen en snoeren geregen pinda’s.

Eergisteren waren de pinda’s op, zag ik. Ik liep, op mijn slippers, even naar buiten om het lege draadje weg te halen en opnieuw te rijgen. Ik stapte op een bemoste biels, en voelde mijn benen onder me wegglijden. Een schreeuw, een hand  naar de grond uitgestoken, een nabonk met mijn hoofd tegen de garagemuur. Au.
De schreeuw had mijn lief gealarmeerd hij hees me op en bracht me binnen.
Mijn bips deed erg zeer, ik werd een beetje misselijk en vroeg om een emmer. Mijn pols werd een beetje dik en deed zeer.

Mijn lief was onverbiddelijk: we gaan langs de huisarts.
Ik belde op en kon meteen bij de assistent arts terecht (de huisarts zit bijna bij ons om de hoek, maar we gingen met de auto) Vanwege Corona moest ik alleen naar binnen.
De arts-in-opleiding vroeg veel, keek en voelde aan de bult op mijn hoofd, onderzocht mijn rug en nek en keek naar mijn pols en……….haalde de dokter erbij. Die voelde aan mijn hand, ik piepte, ze voelde aan mijn pols, ik piepte. “Naar het ziekenhuis voor foto van pols en hand”
De assistent-arts belde naar het ziekenhuis; ik kon daar meteen terecht.


Manlief bracht me naar het ziekenhuis en ook daar (Corona) kon hij niet mee naar binnen.
Geen telefoon bij me, dus afgesproken dat hij in de auto zou blijven zitten en ik naar hem toe zou komen. Na bezoek aan de Coronatent (hoesten? Koorts? Afspraak? Waar en hoe laat?) meld ik me elektronisch aan bij de röntgenafdeling. Ik word (op scherm) verzocht in de wachtkamer plaats te nemen. Een klein kwartiertje later word ik opgehaald en worden er foto’s van hand en pols gemaakt en mag ik terug naar de wachtkamer. Daar komt een witgejaste heer me vertellen dat er een breukje geconstateerd is en dat hij me naar de gipskamer zal brengen. Er komt een arts vertellen wat er gaat gebeuren, er is namelijk  voor “zoiets als ik heb meegemaakt” een protocol!

Als iemand boven de 40 valt en zijn hoofd klapt op stenen wordt er altijd een CT-scan gemaakt; er zou een interne bloeding kunnen zijn ( dat wordt niet verwacht, maar uit voorzorg…)
Dus, eerst gips dan naar de ct-scan, dan wachten op de uitslag, dan een sling en afspraak en dan naar huis. Ik vond het allemaal best; ben doodmoe (schok?) en heb pijn.
Ik werd gegipst door een dame die precies vertelde wat ze ging doen, heel prettig.


Voor zij vertrok vertelde ze dat “straks” iemand me zou komen halen en naar de ct scan brengen.
(Nog steeds had ik mijn lief niet kunnen laten weten wat er gebeurd was)

Ik wachtte en wachtte en na een tijd kwam de gipsdame vertellen dat haar dienst erop zat. Ze stelde me voor aan haar opvolger die me tzt naar de scanafdeling zou brengen.
Ik wilde er zelf wel heen lopen maar dat mocht niet. Hoe minder loopbewegingen in het ziekenhuis hoe beter. Ik werd opeens zo vreselijk moe en vroeg de “nieuwe” of ik even mocht liggen. Hij ruimde meteen de gipstroep op van de brancard en deed er een nieuw papiertje op. Ik hees me op de brancard, pijn schoot door hele lijf.
Daarna doezelde ik wat,  geen enkel besef van tijd maar wel denkend aan mijn lief, die zich nu wel erg ongerust zou maken.

Na een tijdje kroop ik van de brancard af en liep de gang in. Ik klampte een verpleegster aan en zei dat ik naar mijn man wilde en legde uit dat hij van niets wist en zich ongerust zou maken, ik was nu vast al meer dan een uur weg ( geen horloge, nergens klok) Het kon niet, het was druk op de CT afdeling, ik moest wachten.
Er kwam een vastberadenheid over me.  Ik ging naar huis!
Ze ging een dokter roepen. Die kwam en zei dat het onverantwoord kon zijn als ik NU naar huis ging. Zij raadde me sterk af om weg te gaan zonder CT scan. Ik begreep dat “iedereen” vóór zou gaan bij de scan, het was voor mij toch alleen voorzorg?
Ik maakte me zorgen om mijn man die niet wist hoe of wat en was zelf moe en had pijn. Om half 1 was ik gevallen, hoe laat was het nu? Vier uur!!! De dokter vertrok.

Ik wist het nu zeker: ik ging weg, liep terug naar de gipskamer en wilde mijn jas pakken (én zag dat er wel een klok hing boven de deur, achter het gordijntje dat half dichtgeschoven was) 5 over 4!
Er komt een witgejaste man “mijn” kamer binnen ”Ik breng u naar de CT afdeling”. Het lijkt alsof ik leegloop, al mijn vastberadenheid is weg, ik loop dociel mee, ik ben zo moe! Hij zet me neer in een wachtkamer, waar ik me moet aanmelden op een schermpje.
Kort daarna word ik gehaald door een radiologe die me in een soort “donut”( zo noemt hij het) schuift. Ik doe mijn ogen dicht, er wordt gezoemd en na een tijdje mag ik er weer uit. Ik mag in de wachtkamer gaan zitten en wachten op de uitslag, het kan wel 3 kwartier duren.


Mijn vastberadenheid komt terug. Ik zoek en vind een verpleegster, leg uit dat ik mijn lief al een paar uur niet heb kunnen bereiken dat hij zich zorgen zal maken en dat ik naar hem toe wil. Ze is een oudere verpleegster, ziet in één klap mijn toestand en zegt: “Gaat u hem maar halen, neem hem mee naar de wachtkamer en wacht u beiden daar maar de uitslag af”
Ik zou haar willen zoenen.

Ik ga via de lift, niemand te zien, naar de andere verdieping en de uitgang. In de triagetent staat mijn lief, hij praat met de bewaking, hij ziet er moe en ongerust uit. Ik loop naar hem toe.
We kijken elkaar aan, hij ziet mijn gips, wil me bij de arm nemen, mee naar huis.
Ik vertel dat ik terug moet en hij mee mag. Hij kijkt de bewaking aan.
Die kijkt mij aan en schat in, dan volgen er de vragen aan mijn lief: “Verkoudheid? Koorts? Hoesten? Met iemand in contact die Corona heeft?” Als hij op alle vragen NEEN te horen krijgt, mag mijn lief door(mondkapje al op)

De rest van het verhaal raadt zich raden. Nog 3 kwartier wachten in de wachtruimte,  dan komt de arts, ze neemt ons mee en zegt daar dat alles oké met mijn hoofd is.
Ik maak mijn excuses voor mijn “overspannen reactie eerder”
Het was een lange dag, zij heeft er alle begrip voor (zegt ze) en is blij dat alles in mijn hoofd is, zoals het hoort te zijn.

Om kwart voor 6 zijn we thuis en lopen  we allebei als een ballonnetje leeg; het was een lange dag!

Nawoord: Wat hebben we een geweldige gezondheidszorg in Nederland.
Hoe snel kon ik van val naar huisarts? Naar röntgen, naar gipskamer?
Hoe zorgvuldig waren alle onderzoeken?
Het was allemaal TOP.

(Het wachten op het extra onderzoek was lang, alle begrip voor, het was “maar” uit voorzorg.
Ik was “op”, kon het geduld niet meer opbrengen en schaam me er nu voor.)

Over een week moet ik naar een ander ziekenhuis voor controle.
Voor nu ben ik gebutst en gedeukt, ALLES doet zeer en mijn arm is een onhandig zwaar ding in een sling, maar ik ben “blij” dat ik zo snel geholpen kon worden, ondanks de COVID én dat het zeker géén levensbedreigende situatie was.

Verschillende middelpunten

Van familie kreeg ik foto’s van hun zoektocht naar het middelpunt van Nederland; ze waren bij Wekerom.

Omdat ik alleen het kadastraal middelpunt van Nederland ken, ging ik me eens in verdiepen in het middelpunt van Nederland.
Wat blijkt? Het geografisch middelpunt van Nederland is een begrip zonder officiële definitie;
Er zijn er meerdere!

Het kadastrale middelpunt van Nederland ligt in Amersfoort; de Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort was tot 1970 het nulpunt van de Rijksdriehoekscoordinaten (getuige de vloermarkering in de OLVtoren.)

Er is óók een middelpunt van de omschreven cirkel van Nederland. In dat geval trekken ze een zuivere cirkel rondom de grens van ons land die de uiterste punten raakt. Het middelpunt van die omschreven cirkel ligt ongeveer een halve kilometer ten noordoosten van Eembrugge (gem. Baarn)  (de straal van die cirkel is 170 km)

Dan is zijn er ook nog: Het middelpunt van een denkbeeldige rechthoek om Nederland (Soest);
het oudste middelpunt van Nederland ( gem.De Wolden(Dr) én, als je Nederland breder ziet en ook de Caribische eilanden (Aruba, Curacao en St.Maarten) mee telt, ligt dát middelpunt in de Atlantische oceaan


Mijn familie was dus op het  Wekeromse Zand (Veluwe), een open gebied van ruim 100 ha, met actief stuivend zand. *)  Vlakbij, op de Lindesboomberg ligt (staat daar aangegeven) het middelpunt van Nederland.

Ik vond een artikel in dagblad de Trouw dat meldde:  “Het Middelpunt van Nederland is een verzinsel, maar wel een verrukkelijk verzinsel” Na berekening (van vóór de inpoldering van de Flevopolder) suggereerde iemand dat de Lindeboomsberg wel eens  precies midden in Nederland zou kunnen liggen, de lokale VVV verhief één van de keien daar liggend tot Middelpunt van Nederland) Een middelpunt was geboren!




*) Actief stuivend zand komt in Noord-West Europa, buiten Nederland, bijna niet meer voor. Dit maakt het Wekeromse Zand aardkundig, ecologisch en cultuurhistorisch zeer waardevol.

Onbekende mensen missen

Ik mis ook mensen, die ik niet ken

.

Vanmorgen las ik in de Volkskrant een column van Aaf Brandt Corstius. Zij had het daarin over mensen die ze niet kent en toch mist. Mensen die je “gewoon” tegenkwam en waarmee je een praatje maakte, mensen in restaurants die daar ook waren als jij er zat (niemand eet graag in een leeg restaurant) Dát soort mensen en vluchtige contacten, die er nu nauwelijks meer zijn

Door het lezen van die column werd ik ontroerd. Ze slaat de spijker, wat mij betreft, zó op de kop.
Natuurlijk mis je de zomaar aanloop van vrienden en bekenden en het zien van ouderen en kwetsbare mensen, maar óók de “normale” entourage. Mensen die je tegenkwam met het hond uit laten, het boodschappen doen, het wandelen. NU zijn de meeste mensen (indoor) verscholen achter een mondkapje en buiten werkt de 1,5 m afstand niet mee om “zomaar” een praatje te maken.
Om maar niet te spreken over mensen in het bos, die soms van het (brede) pad afwijken om je maar niet tegen te komen, of mensen die in de supermarkt alleen maar dingen tegen je zeggen als dat DIT écht geen 1,5 m is (ik ben nooit goed geweest in het inschatten van afstanden)

Vandaag had ik weer even zo’n vroeger gewoon, nu bijzonder “COVID-19-vrees-niet” moment.
We gingen fietsen (actieradius groter dan met wandelen, maar niet écht mijn favoriete bezigheid)

We kwamen door 3 gemeenten.
In één van die plaatsen zag ik een Brunawinkel met op de deur het woord open.


Nu wil het geval dat alle puzzelboekjes in het huis vol zijn.
Dus als het daar mocht, wilde ik graag daar een puzzelboekje kopen.

Mondkapje uit de zak, portemonnee in de hand, deurknop met mouw open en buiten blijvend staan
vraag ik of ik een puzzelboekje mag kopen. De verkoopster zegt dat ze dicht zijn, alleen open voor pakjes en dat de puzzelboekjes allemaal teruggestuurd zijn.
Het, ook gemondkapte meisje met lang blond haar naast haar  zegt dat ze er net nog ééntje ergens achter zag (waren ze misschien samen de voorraad aan het tellen?)
De eerste verkoopster zegt dat als ik DAT puzzelboekje wil, ze het wel naar buiten brengt en dat als ik dáár wil pinnen dat boekje mag ik kopen, binnen iets kopen mag in deze tijd niet.

Ik waag de gok (beter een leeg boekje in mijn fietsmand dan veel volle puzzelboekjes thuis)
Ze komt, zonder jas naar buiten met een zakje en pinapparaat (de spanning welk boekje het is bewaren we voor thuis) Ze loopt naar de hoek van de straat met een pinapparaat omhoog ”Geen bereik hier” zegt ze.
Ik moet denken aan het begin van de mobiele telefoon toen nog niet héél Nederland bereik had en we, op een camping, naar een dichtstbijzijnde heuvel moesten lopen om daar het thuisfront ons nieuwe campingadres door te bellen.

Het is koud, ik heb een jas aan, zij niet. Ik wil niet de oorzaak zijn van een verkouden verkoopster.
“Wil je niet liever eerst je jas aan doen” Ze heeft een stuk naar links én een stuk naar rechts van de winkel gelopen en kennelijk nog steeds geen verbinding.
Ze kijkt me aan en zegt dan resoluut “ Het is koud. Komt u maar even binnen, dan regelen we het daar!” [we zijn” éven” allebei een beetje koud én stout]

Ik laat haar vóór gaan, gesp mijn mondkapje weer voor, waardoor prompt mijn bril beslaat en ik niets meer zie. Ze verricht wat handelingen op de kassa en schuift me het pinapparaat toe. Ik zie helemaal niets meer, stop mijn kaart in de machine; er komt tekst op het display. Ik doe mijn bril af, maar dat helpt (zoals verwacht) niet, ik zie nóg steeds niets.
Ik schuif het pinapparaat weer terug” Ik zie niet wat er staat”
Ze lacht “Er staat probeer opnieuw!”   
En weer dansen haar handen op de toetsen van de kassa, ze veegt mijn pasje aan haar mouw af en stopt hem er weer in.
Ik pin, het gaat! Ik bedank haar voor de service. Als ik de deur uit ben en mijn fiets pak, roept een nieuwe klant naar binnen “Heeft u ook agenda’s “?
Als ik wegfiets zie ik de verkoopster, wéér zonder jas naar buiten komen.

Ik had  een ( geslaagd)  momentje met een “onbekende” en wie zegt dat er geen dienstverlening meer bestaat? Dat is binnen én buiten nog mogelijk.

Thuis krijg ik mijn beloning voor de gok: precies de soort puzzels die ik graag doe!