Korea en Nederland

Er is een historische relatie tussen Nederland en Korea. Ik heb dat tot een paar dagen geleden nooit geweten!

Kijkend naar het NTR programma “Hier zijn de van Rossems” van historicus Maarten met zijn kunsthistorica zuster Sis en zijn architectonische expertbroer Vincent leerde ik het e.e.a over Gorcum (Gorcum: letterlijk Gorinks Heem, oftewel de woonplaats van de Goringa, de mensen van Goro (persoonsnaam). 

Gorinchem, Gorcum en Gorkum zijn alle drie juist! In 1858 heeft het toenmalige gemeentebestuur laten vastleggen dat de officiële naam Gorinchem is.

Een “Bekende” Historische Nederlander, die de meeste Nederlanders niet zullen kennen, uit Gorinchem is Hendrick Hamel (1630-1692)

Portret van Hendrick Hamel door Marc Boom

Deze scheepsboekhouder strandde in 1653 met  het  VOC-schip “De Sperwer”, varend van Nederlands Indië naar Deshima (Japanse handelspost, waaiervormig eilandje van nog geen anderhalve hectare in de haven van Nagasaki in Japan).
De Sperwer sloeg te pletter voor de kust van Jeju (vulkanisch eiland in het uiterste zuiden van Korea) Vele opvarenden verdronken; van de 64 opvarenden overleefden 36 de schipbreuk.
Degenen die aan land kwamen dachten eerst dat ze op een onbewoond eiland zaten, maar al gauw zagen zij zich omringd door soldaten van de plaatselijke gouverneur.
De Nederland  schipbreukelingen werden gevangen.
De Joseon Dynastie (1392 tot 1897) die op dat moment heerste, hield er een isolatiepolitiek op na, bezoekers mochten het land niet meer verlaten. (er dan wel OP, maar niet meer AF)

Hamel was niet de eerste Nederland die op Jeju aankwam; eerder was de Nederlander Jan Jansz Weltevree, geboren in De Rijp*) (1595-1666) daar al gestrand.


Op de site https://www.janjansznweltevree.nl/ wordt J.J.Weltevree zó gepersonifieerd.

Bij de gevangneming van Hendrick Hamel en companen trad Weltevree op als tolk.
Hij vertelde dat de Koreanen hem al zesentwintig jaar vasthielden en dat de schipbreukelingen volgens hem moesten rekenen op hetzelfde lot. [Weltevree was de eerste westerling in Korea en werd adviseur van de Koreaanse koning, hij was er ook getrouwd met een Koreaanse vrouw met wie hij 2 kinderen had .Hij had  een Koreaanse naam Pak Yon]

Hamel bleef gedwongen 13 jaar in Korea voor hij in 1666, in een ”klein scheepje” met andere overlevende bemanningsleden naar Japan wist te ontvluchten (Jan Jansz. Weltevree leefde nog op het moment van hun vertrek en was “ongeveer” zeventig jaar oud vertelden de bemanningsleden die met Hamel gevlucht waren)

In Deshima, het eilandje bij Nagasaki, dat vanaf 1641 tot en met 1859 een “Nederlandse handelspost” was (en lange tijd het enige contact tussen de westerse wereld en het grotendeels afgesloten Japan) schreef Hamel zijn belevenissen op: het “Journael van de ongelukkige Voyage van het jacht de Sperwer” **)


Voor dat schrijven had hij “genoeg” tijd; in Deshima moesten de vluchtelingen namelijk nog een jaar wachten op toestemming van Japan om van de handelspost door te mogen reizen naar Batavia.

Zonder zijn “ Journael” (in vele talen uitgebracht) zou de wereld waarschijnlijk nog lange tijd niets hebben gehoord van/over Korea.
Ook heeft zijn “Journael” er mede voor gezorgd dat Korea haar poorten naar de westerse wereld heeft geopend.

Ik las dat Hamel in Korea wordt gezien als de “ontdekker” van Korea, de man die het land naar het Westen van de wereld heeft ontsloten.
Hij én voetbaltrainer Guus Hiddink die in 2002 op het WK met de Koreaanse ploeg tot de halve finale kwam,  zijn de 2 Nederlanders in Korea die iedereen kent! Het schijnt  dat de kinderen daar op de basisscholen al kennismaken met  Hamel!
In Zuid Korea is Hamel een Nationale Held.

In Yeosu is, in 2012, een Hamelmuseum geopend. In dit museum is, dankzij een gift van de Nederlandse overheid, een kopie van het originele scheepsjournaal van Hamel te vinden. Verder bezit het museum verschillende historische VOC-overblijfselen en wordt in afbeeldingen en tekst de historie van Hendrick Hamel weergegeven. Vóór het museum staat een standbeeld van Hendrik Hamel. (De vuurtoren op de kade voor het museum is ook vernoemd naar Hamel)

*) Naast de Grote Kerk in De Rijp staat een beeld van Jan Jansz Weltevree,  gemaakt door de Nederlandse beeldhouwster en medailleur Elly Baltus, ze heeft het beeld opgebouwd uit (hedendaagse) voorwerpen die betrekking hebben op de persoon Weltevree: scheepsmaterialen, vuurwapens, oosterse parapluutjes en andere handelswaar uit oost Azië als fototoestellen, radio en luidspreker !

Een replica  van dit beeld is in 1991 in Seoel (de meer dan 600 jaar oude hoofdstad van Zuid-Korea) geplaatst.

**)  Hamel werd verhoord door de Japanners;  het “opperhoofd” van de handelspost in Nagasaki heeft ook een verslag van de verklaring van Hamel en zijn belevenissen opgemaakt!

Artis van toen én nu.


Ooit was ik in het Verzetsmuseum in Amsterdam om een lezing te volgen over Artis in oorlogstijd.

Daarvóór had ik er nooit over gedacht hoe Artis  in de Tweede Wereld Oorlog (de dieren) die tijd overleefd hadden.
Mensen leden honger; hoe werd er aan voedsel voor de dieren gekomen?

Veel bleek te danken te zijn aan de toenmalige directeur van Artis, een Nederlandse bioloog van Zwitserse afkomst. Hij had “connecties” met de Duitsers en gebruikte die om te zorgen dat er geld (lees: eten) voor de dieren kwam én dat zijn staf én de dieren NIET naar Duitsland gedeporteerd werden. Duitse militairen kwamen voor “ontspanning” naar de dieren kijken. (Artis was vanaf september 1941 voor Joden verboden)
Wat de Duitsers NIET wisten was dat er o.a. in de apenrots (1940 geopend) Joodse onderduikers verscholen zaten.
Ook op de zolder van de roofdierengalerij zaten Joodse onderduikers.

Apenrots 1940/1945

In het begin van de oorlog brachten Amsterdammers nog noten en zaden voor de dieren naar de dierentuin, maar gaandeweg de oorlog kwam er steeds meer honger onder de mensen. 
Omdat de directeur bij de Duitsers bepleitte dat hij, voor het openhouden van Artis, voldoende voedsel  én brandstof voor de verwarming voor de dieren nodig had, was er voldoende eten voor de dieren.

Amsterdammers kwamen soms, zo werd ons verteld,  ’s nachts om met een stok tussen de tralies te proberen een stuk brood of groente  uit de kooien naar zich toe te halen voor eigen consumptie.
Er “verdwenen” ook dieren tijdens de oorlog, zoals kippen, eenden en ganzen.
Er schijnen ook een stel hongerige Amsterdams geprobeerd te hebben de varkens uit de kinderboerderij te stelen. Indrukwekkende verhalen.
Dankzij de slimme, tactvolle directeur was er genoeg eten voor de dieren én konden Joodse onderduikers in Artis een veilige plek krijgen.
Wat nam die man een enorm risico!
*

Iets heel anders over Artis, van vroeger maar ook van deze tijd.
Behalve dieren in gevangenschap verblijven er ook “vrije” dieren in Artis.
En dan niet 1 of 2 maar, zo las ik,  sommige tijden wel 400 dieren.
Het gaat niet over mieren, oorkruipers of andere kleine dieren, maar een dier van ongeveer 2 kilo en ca. één meter hoog: de blauwe reiger!

In Artis huist een grote blauwe reigerkolonie !
De reigers hebben hier al  hun domicilie sinds Artis bestaat (1838), alleen wordt de kolonie, (oa door de steeds maar zachtere winters) steeds groter.
Ze poepen in en op de bomen, zo erg dat bomen zelfs dood kunnen gaan. Ze poepen ook op de banken én de bezoekers!



Ze roven vis van de pelikanen en pinguïns!
Maar ook de reigers zelf worden wel eens als voedsel verschalkt.
Zo las ik dat in 2017 een reiger werd verschalkt door een leeuw; de reiger had een “verkeerde” plek uitgezocht om te landen.





Emotie in een horecagelegenheid

Een opa en oma huren een paar dagen, met kinderen en kleinkinderen, een huis in de Achterhoek.
Opa en oma zijn nog kwiek en fit, oma schildert en zit in een koor, opa fietst (al dan niet met zijn tienerkleinzoon) en tennist.
Vlak vóór hun geplande uitje sterft een achterbuurman; de crematie kunnen ze niet meemaken; dan zijn ze al in de Achterhoek.


Ze hebben een paar prachtige dagen in oktober uitgekozen, terrasjesweer zelfs.

Als ze met zijn tienen ergens op een terrasje zitten wil oma graag even, via livestream een stuk van de crematieplechtigheid van de buurman zien, maar op het terras blijkt haar tablet geen ontvangst te hebben.
Als ze dat tegen de eigenaar van het etablissement zegt, stelt hij voor even naar binnen te gaan en daar te gaan kijken. Oma gaat (alleen) naar het restaurant in; er zijn verder geen gasten binnen.


crematiedienst op tablet

Ze zit aan een tafeltje en volgt de plechtigheid op haar tablet, ze gaat zó op in de dienst dat ze op een gegeven moment een prachtig lied, dat ze ook op koor heeft geleerd, meezingt.
Totdat…………  ze op haar schouder getikt wordt.
De eigenaar van de zaak staat, met tranen in zijn ogen naast haar “Wilt u hiermee ophouden en weer naar buiten gaan”.
Ze sluit haar tablet af en loopt naar buiten, voegt zich weer bij haar familieleden op het terras.

“Is het al afgelopen, oma?” vraagt een kleinzoon.
– Nee vent, oma is weggestuurd –
Vreemde blikken naar oma.
De eigenaar van de zaak komt, even later, bij hun tafel , hij maakt excuses voor zijn bruuske optreden van net.
Wat blijkt?
Zijn vriendin is onlangs overleden, hij heeft het er moeilijk mee en kon dit (oma ’s gezang) niet aan.

De kleinkinderen gniffelen nog een tijdje, nu waren niet zij, maar Oma eens weggestuurd!
Dát hadden ze nog nooit meegemaakt (oma ook niet!)




Popcorn

Onlangs las ik iets over de herkomst van mais:

* Mais, de eerste vorm, ”oermais” komt oorspronkelijk uit Mexico.
* Mais is een graan en behoort tot de grassenfamilie
* 9.000 jaar geleden gedomesticeerd door de Mexicanen
* duizend jaar later kwam de veredelde mais terecht in Zd Amerika;
* in 2012  vonden wetenschappers in Peru maiskolven en stengels van tussen de  6700 en 3000 jr
   oud deze maisresten zijn de oudste die ooit gevonden zijn;
* wetenschappers vonden microfossielen van zetmeelkorrels nadat dieren deze hadden
   opgegeten én ze ontdekten dat mais toen al op verschillende manieren werd gegeten, ook in  
   gepofte vorm (popcorn)
*  mais werd meegenomen door de Spaanse zeevaarders die Amerika “ontdekten” (1492), zo kwam mais uiteindelijk in Europa terecht

Tot zover de maisweetjes.
Toen ik dit las, gingen mijn gedachten terug naar de twee bijzondere dingen die ik heb meegemaakt met popcorn.

Op de lagere school kwam, in één van de laatste klassen, een nieuw meisje uit Amerika. (Ik noem haar even voor het gemak Lise) Omdat familie van me in Engeland woonde sprak ik (een beetje) Engels; we werden min of meer vriendinnen.
Ik kwam bij Lise thuis en zij soms bij mij.
In hun keuken stond een vreemd soortige machine, zoiets als een ijskast maar dan rood met veel chroom. Het was een popcornmachine, haar vader was de uitvinder van de popcornmachine vertelde Lise me. (Ik las nu dat in 1885 de popcornmachine werd uit gevonden door Charles Cretors!!! Dus ik vermoed dat ze jokte of op zijn minst een beetje overdreef)

We aten dus nogal eens popcorn bij haar thuis. Dát had ik nog nooit eerder gegeten!

(deze foto is van een popcornmachine NU. Die van toen was groter. Maar toen had ik geen fototoestel!)

Mijn tweede bijzondere ervaring met popcorn is van een heel andere orde.
Ooit maakten mijn lief en ik een rondreis door Vietnam.
Ergens in de bergen raakte ik onze gids én mijn lief kwijt.
Ik kwam alleen aan bij een hut waarvoor een vrouw  op een bank zat. Ze wenkte me om naast haar te komen zitten.
Ik deed het en we probeerden te communiceren. Nadat ik Frans en Engels geprobeerd had kwamen we er beiden achter dat er géén taal was die we allebei spraken.
Dus sprak zij Vietnamees en ik Nederlands en begrepen we elkaar… een beetje.

Ze aaide mijn haar. (Dat deden veel Vietnamezen. Zelf hebben ze meestal sluik zwart haar en ze vinden Europeaans haar “bijzonder” en willen er graag aankomen)
Ik denk dat ze me vertelde dat ze het mooi vond, waarop ik (in het Nederlands) vertelde dat ik haar zwarte haar veel mooier vond. We lachten.
Mijn lief en gids kwamen de berg op, zagen ons samen en snapten meteen dat ze deze ontmoeting niet moesten verstoren.( het zag er kennelijk noga “intens” uit)
Ze liepen door.

Na een tijdje praten, lachen en ginnegappen maakte ze me duidelijk dat ik moest wachten. Ze ging haar hut in en kwam met een bruin papieren zak terug, ze nam er dingen uit en stopte die in haar mond, waarna ze mij uitnodigde dat ook te doen.
Ik aarzelde. Geen idee wat het was en een gevoelige maag als de mijne was erg gauw van streek.
Maar de situatie liet (zelfs beleefd) weigeren niet toe. Ik vroeg haar wat het was en keek in het zakje onduidelijke bruine dingetjes.

Toen kreeg ik wéér een bevestiging dat je kunt communiceren zonder taal.
Ze maakte met haar hand een vorm van een lang, ding, ze liet dingen “  ontploffen “  en maakte er geluid bij.
Daar, boven op die berg met zijn tweeën op een bankje werd het begrip popcorn me in het Vietnamees uitgelegd, en ik begreep!
Een ander uitziende popcorn dan die wij kennen, maar niettemin popcorn.
Om de beurt verdwenen onze handen in het zakje en stopten we de stukjes in onze mond en zeiden dingen als “lekker” in onze eigen taal.
Het was een bijzondere ontmoeting (zoals we er vele hadden in Vietnam) heel intens, mét een zakje Vietnamees gepofte mais.

Een bizarre gebeurtenis





Er werd een groot evenement in Twente georganiseerd; er zouden mensen komen uit heel Nederland en zelfs ook van daar buiten. Veel vrijwilligers werden ingeschakeld om allerlei hand- en spandiensten te verrichten.


Een belangrijke gast uit het buitenland moest van het centraal station Amsterdam worden opgehaald.
Een vrijwilliger, met auto van de zaak (mét opdruk van zijn bedrijf) was bereid om dat klusje te klaren.

Toen hij de VIP van het station had opgehaald vroeg deze of ze een stukje door Amsterdam konden rijden, hij wilde graag een paar plekken, zoals de Dam, zien vóór hij naar Twente ging.
Ze hadden de tijd, dus het kon.

In de buurt van de Dam, in een nauwe straat zat, midden op de straat een man met een sandwichbord om. Het bord maakte duidelijk dat het hier om een milieuactivist ging die ZEER tegen vervuilende auto’s én de automobilisten daarin, was.

De chauffeur legde de VIP e.e.a. uit en zei hij even een praatje met de man ging maken.
Hij liep op de activist af en vroeg of hij aan de kant wilde gaan.
Het verwachte antwoord werd gegeven; NEEN.
De chauffeur wees de activist op het feit dat hij een elektrische auto had, dus als hij even aan de kant ging, kon hij passeren en de man daarna weer écht vervuilende auto’s tegenhouden.

De activist was niet voor (die) reden vatbaar en bleef zitten waar hij zat.
De chauffeur liep terug naar de auto en lichtte de VIP in.
Inmiddels was de weg achter hem ook afgesloten door een klein geel (niet elektrisch) autootje.
De bestuurder ervan stapte uit en vroeg, in onvervalst Amsterdams, wat er aan de hand was.
De chauffeur legde uit dat het om een milieuactivist ging die NIET van plan was aan de kant te gaan.
De Amsterdammer keek rond en zag kennelijk een oplossing; ”Ik ga een stukkie achteruit, dan ga jij achteruit in dat parkeerhaventje daar staan, dan  kan ik erdoor en rij ik die gast effe plat, dan kunnen we daarna allebei weer door”

De Twent die zelf geen oplossing verder zag, ging achteruit het parkeerhaventje in. Waarschijnlijk, zo dacht hij, ging de Amsterdammer de activist schrik aanjagen, de activist aan de kant en konden ze daarna allebei weer door.
Zodra de Twent in het parkeerhaventje stond, liet de Amsterdammer zijn wagen loeien en reed recht op de zittende activist af; hij stopte echter niet vlak voor de activist, maar miste hem op een haartje toen hij langs hem heen stoof. Uit het zicht.
Het gebeurde razend snel. De activist stond geschrokken op en schudde zijn vuist naar de achterkant van het gele wegstuivende autootje.
De  Twent maakte van de gelegenheid gebruik om langs de, nu niet meer in het midden van de straat staande milieuactivist te rijden. In zijn spiegel zag hij hoe de activist ook naar hem zijn vuist ophief.

Twee weken later (het evenement was een groot succes geweest en de gasten waren weer huiswaarts gekeerd) ging de telefoon in het huis van de Twent
Het was de politie uit Amsterdam met de vraag of hij dan en dan( datum) in Amsterdam was geweest. Hij beaamde dat en vroeg of het om de milieuactivist ging.
De agent was verrast dat hij meteen wist waar het gesprek over zou gaan.
– Zo moeilijk is dat niet- gaf de Twent terug.
– Ik kom zelden in Amsterdam, dus ik herinner het me wel én wat er gebeurde was bizar –
De agent wilde graag een verklaring van de Twent, die daarop meteen zei dat hij wilde meewerken:
– Wanneer komt u deze kant op? –
Maar dát was niet de bedoeling. De Twent moest naar Amsterdam komen.
Reiskostenvergoeding en/of onkostenvergoeding zat er echter niet in, dus zei de Twent dat dát niet kon.
Hij wilde met alle plezier even naar een politiebureau in Almelo of Hengelo komen en daar een verklaring afleggen maar daarvoor naar Amsterdam reizen was echt een brug te ver.
De agent moest daarover overleg plegen en zou hem terugbellen.

Dát telefoontje kwam de volgende dag. Het was zo belangrijk dat DEZE agent zijn verklaring hoorde dat hij daarvoor wel naar politiebureau Almelo kon komen en nu een afspraak daarvoor wilde maken; het ging immers om een poging tot doodslag.
Nu schrok de chauffeur.
– Poging tot doodslag? Moet ik soms een advocaat meenemen?-
De agent zei dat dat inderdaad een goed idee zou zijn, het kon zijn dat hij als medeplichtig zou worden beschouwd.
De afspraak werd uitgesteld; de chauffeur wilde eerst een advocaat bezoeken, met hem praten en samen een afspraak plannen.
Deze gebeurtenis bleek anders te zijn dan wat hij eerst dacht: “even” een getuigenverklaring af leggen.


De Twentse chauffeur sprak met een advocaat, die hem wilde bijstaan en meegaan naar Almelo.
Er werd een afspraak gemaakt met politie en advocaat voor een datum 2 weken later.

’s Morgens op de dag van de afspraak voelde de Twent zich niet lekker, hij belde de huisarts op die hem voorstelde voor de zekerheid een afspraak te maken in een COVID testcentrum, dat kon ’s middags.
Hij meldde de advocaat dat hij niet lekker was en naar een COVID testcentrum moest en dus niet bij de afspraak kon zijn. De advocaat wist door het eerdere gesprek met hem genoeg van het voorval om het politiegesprek alleen aan te gaan. Hij bleek zijn verklaring uit al op schrift te hebben, als hij die NU naar hem mailde en hij zou zijn handtekening eronder zetten dan kon de advocaat het vermoedelijk wel alleen afhandelen. Zo gezegd zo gedaan.

De verklaring dat hij inderdaad achteruit was gegaan en in het parkeerhaventje was gaan staan, maar géén idee had wat de man in het gele autootje zou gaan doen, én toevoegingen van de advocaat bleek genoeg voor de politie te zijn om géén vervolging verder in te stellen.
Het verhaal vertelt NIET wat er verder gebeurd is met de Amsterdammer in het gele autootje, of deze voor poging tot doodslag werd vervolgd.





Oud Rijswijk

We waren in Rijswijk  voor Splendid Isolation van de Britse kunstenaar Ian Berry.
Een tentoonstelling in Museum Rijswijk dat gehuisvest is in het Tollenshuis.
Een pracht van een tentoonstelling, zeker een aanrader als je van, denim, contemporary art én een mooi museum houdt.

Na het museumbezoek (het is dan even droog!) lopen we even door Oud Rijswijk heen: het heeft sfeer!

Op een terrasje onder het zonnescherm, dat nét nog als regenscherm functioneerde, zitten een paar oudere mensen. Ervóór staat een prachtig, zo te zien, nieuw rond bankje om een boom, met olifantenbeeldjes eronder.
Erachter ligt, onder een glazen plaat verlicht, een historische put: al vanaf 1550 haalde Rijswijkers water uit deze put. Later werd er, 13 meter verderop, een pomp aangelegd.
In 2010 is de glasplaat en verlichting gekomen om dit stukje puthistorie te behouden; de pomp staat er nog

Op de bank op de boom staan woorden zoals Ceylon  en Hansken, Rembrandt
Nergens een bordje waarom én ter herinnering  waaraan deze bank is.
Ceylon in Rijswijk? En wie was Hansken? En wat heeft Rembrandt hiermee van doen?
Ik loop naar de mensen onder het scherm toe en vraag waarvoor dit bankje is.
Het blijkt om een olifant te gaan, in 1620 had Rijswijk een olifant!
Men raadt me aan om even naar het museum te lopen, daar hebben ze een boekje met het verhaal van de olifant. De dame die het me zegt was vrijwilliger in het museum vertelt ze
Ik zeg dat ik dat zal doen.
“Het is gratis” roept de (ex?) vrijwilligster me nog na.


De dame van het museum komt achter de balie vandaan als ik mijn vraag stel, ze gaat, trapje af, trapje op, ik achter haar aan, naar een piepklein kantoortje, waar iemand zit te werken. Ze vraagt, hem naar het boekje : hij blijkt ze allemaal te hebben uitgegeven.

De baliedame vindt het vreselijk dat ze me niet helpen kan, ze loopt met me mee naar buiten en wijst in de straat verderop een juwelier; als er een olifantenkoekblikje in de etalage staat kan ik dáár het boekje halen.
Dank u wel, lieve, behulpzame dame!

De juwelierszaak blijkt helaas gesloten te zijn! We lopen door, ook een slagerij heeft een koekblik in de etalage staan. Ik loop er binnen en vraag naar het boekje. Helaas zijn ze ook bij hem op, maar ook hij  doet een extra stap en geeft me wel een pamfletje (dat hij uit een koekblik haalt) met een kort “verhaaltje” over de olifant.
Dank u slager!
We lopen verder
Ik zie een brillenzaak mét een trommeltje in de etalage en probeer het nog één keer.
De opticien had nog een stapel boekjes en gaf me er één.

Zodoende kan ik u nu de geschiedenis vertellen van een Aziatische vrouwtjesolifant die Hansken heette. Ze werd geboren in 1630 in Ceylon en vertrok voor een reis van 7 maanden met een VOC schip via Kaap de Goede Hoop, Sint Helena en Texel naar Amsterdam.
In Amsterdam waren zij en haar medereizigers: een Indisch hert en een luipaard (aangekondigd als een tijger) tegen betaling te bezichtigen. Het opgehaalde geld ging naar de armen.

Hansken kwam, na deze “omweg”, bij haar nieuwe eigenaar terecht: stadhouder Frederik Hendrik die in Rijswijk woonde in paleis dat Huis ter Nieuborch, ook wel Hof te Rijswijk geheten. (Er is helaas niets meer over van deze bebouwing) Hansken verbleef 3 jaar in een paardenstal van de stadhouder in Rijswijk.
In 2010 is, als eerbetoon, deze zeshoekige boombank ontworpen door ir.Elisabeth(Piet) Rijkels-Visser.
ter nagedachtenis en deze eerste olifant in Europa! [foto van de ontwerpster, zie hierboven met bordjes gemaakt door Robbert Roos]

Hansken wisselde nog al eens van eigenaar; van Frederik Hendrik naar diens neef Johan Maurits en toen deze naar het buitenland moest kwam Hansken bij weer een nieuwe eigenaar terecht. Zo “verhuisde” zij minstens 3x en kwam toen bij Cornelis Groenevelt terecht, die haar kunstjes leerde. Hij liet toen reclameposters drukken met haar kunsten [oa buiging maken, zwaaien met een vlag en dansen] en trok
samen met haar de wereld rond; Hansken liep en Cornelis zat op haar rug.
Er gaan verhalen dat ze in Amsterdam in 1647 door een brug zakte én dat Hansken samen met Cornelis door de Alpen en naar Italië trok.

Groenevelt had veel verstand van paarden maar niet van olifanten, slechte voeding en onnatuurlijk gedrag hebben geleid tot haar vroegtijdige dood: in 1655, tijdens een optreden in Florence zakte ze in elkaar en stierf.

De Groot hertog van Toscane, Ferdinand II kocht de dode olifant voor zijn verzameling.
Momenteel is haar (oudst bewaarde) olifantenskelet te zien in het Museo della Specola in Florence .
Erbij staat: Skeleton of the famous Hanske, the elephant (1630 – Florence, 9 November 1655)

Hansken is niet alleen door ontwerpster Elisabeth (Piet) Rijkels-Visser vereeuwigd (bankje), ook Rembrandt heeft Hansken vermoedelijk ooit  gezien (niet gedocumenteerd) maar zeker 3x  getekend en Vondel,  die in 1637 voor de opening van de Amsterdamse Schouwburg (jan 1638) zijn beroemd geworden Gijsbrecht van Aemstel schreef,  maakte in regel 1304 een toespeling op een van de opzienbarende stunts van Hansken.

Tot zover het verhaal van Hansken; IK vind het een zielig verhaal, zielig voor een grote olifant uit Ceylon

We lopen door een straat, bijna had ik het gemist, straatkunst: eerst een soort elektriciteit kastje met daar een klein stukje vandaan nog een. Maar nu tweede was geen saaie grijze kast, maar” beplakt” met steentjes “papier”; het ziet er zo veel “leuker” uit.

We lopen nog langs een leuk steegje met goudgepunt hekwerk en keren dan terug naar onze (gratis) parkeerplek

Oud Rijswijk, een sfeervol winkelgebied, een prachtig museum, een historische put, een waterpomp van 1831 én een gedenkbank voor Hansken, de olifant.

Betalen met bloed

Onlangs las ik een artikel over de handel in organen.
In Nederland is dat verboden, maar in landen als Irak en Tunesië is dat wel mogelijk. Zo las ik dat  voor een gezonde nier daar ongeveer € 10.000 tot € 50.000 betaald moet worden.
Er zijn Nederlanders die daar (bijvoorbeeld) een nier “kopen”, terugkomen en hier door een specialist verder behandeld worden; zij vertellen (soms) de herkomst en de betaalde bedragen

Bloed kan ook “verkocht” worden. Ook dát mag NIET in Nederland, maar wel in andere landen
Door bovenstaand artikel kwam bij mij een voorval boven dat ik zelf heb “meegemaakt”

Na ons trouwen wilden we graag kinderen, maar niet “meteen”.
We besloten wel “meteen” een kind op afstand te adopteren.



Er was een nét een Nederlandse organisatie opgericht die in India kinderen in een tehuis financieel ondersteunden. We doneerden elk kwartaal een bedrag. Een pater die in Bihar het opvanghuis (Bhagalpur), waar ons financieel geadopteerde kind woonde, runde stuurde ons een paar keer per jaar een nieuwsbrief over hoe het daar met de kinderen ging.

Toen Chris*) zelf  schrijven kon schreef hij ons een paar korte zinnen in zijn eigen taal (ik meen urdu)
Toen hij Engels leerde schreef hij ons korte briefjes, die we in het Engels beantwoordden.

Hij werd ouder en ging studeren, hij wilde frater worden; een lesgevende geestelijke.
In hoeverre dit zijn eigen keus was of min of meer aangedragen door de paters in zijn huis, weten we niet.
Een lange tijd hoorden we minder, toen opeens een “brandbrief” of we snel geld over wilden maken want hij moest een operatie ondergaan en de paters betaalden die niet.

Dát leek me uiterst vreemd; een Christelijke organisatie die, d.m.v. donaties én eigen geld, kinderen een thuis gaven, opleiden en dan als ze ziek waren ze in de steek lieten?
Ik belde het Nederlandse contact van de organisatie; die kon niets zeggen over dit individuele geval, maar wist (even als ik) zeker dat een dergelijke weigering van het betalen van een operatie NIET aan de orde kon zijn en het geld voor andere doeleinden gebruikt zou worden.
Ik schreef een brief naar Chris

Ik kreeg een brief terug met de ware reden: Hij had een meisje zwanger gemaakt, kon dat niet aan de paters vertellen en moest de abortus van het meisje betalen, terwijl hij géén geld had.
Dilemma voor ons.
Niet het geld was een probleem, wél de morele kant: Studeren voor pater, een meisje zwanger maken, verzwijgen tegen de mensen die je grootbrengen en liegen om geld voor een abortus te krijgen.
Wat ik ook moeilijk vond was één zin in zijn brief: “Mama, ik zal hierna het meisje nooit meer zien, dat beloof ik”
Was dit de zienswijze van een toekomstige pater? (Wij zijn NIET katholiek en NOOIT in India geweest, dus hebben verstand noch van de cultuur, noch van het katholieke geloof, maar hebben wel moreel kompas!
Niet de gebeurtenis zelf, maar hoe hij ermee omging baarde ons zorgen voor de toekomst; zijn toekomst!
Wilde hij nog wel pater worden? Was de celibataire gelofte misschien te groot voor hem? Dáár moest over gepraat worden. Kon dat daar?
Voelde hij  zich misschien moreel verplicht om pater te worden?

Geld sturen en  aan dat alles voorbij gaan konden en wilden we niet (Dit was voor de tijd van internet en mobiele telefoon)
Er ging dus een (lange) brief naar hem terug.
Of zijn “roeping” echt zijn roeping was, of hij misschien een andere keus wilde maken, of we hem daarbij
konden helpen. Dat haar “probleem” wellicht niet alleen met een abortus was “op te lossen” dat zij misschien ( zijn?) steun nodig had.

We kregen een brief terug; het geld was niet meer nodig, hij had zijn bloed aan een ziekenhuis “verkocht” en zo geld voor de abortus verkregen en zou het meisje niet meer zien.

Daarna hoorden we niets meer.
Tot het moment waarop hij tot geestelijk gewijd werd.
Of we, pappa en mama, wilden komen om  bij de festiviteiten te zijn en hem tot geestelijke gewijd zien worden.
De brief terug was (weer) een afwijzing; heen en weer naar India was voor ons niet mogelijk.
Wat we niet schreven en wél voelden was dat áls we zoveel geld uit te geven hadden om heen en weer naar India te gaan, we dát geld beter aan het tehuis konden geven om méér kinderen te helpen, dan om op bezoek te gaan.

We kregen daarna nog één brief: een vraag om geld voor het feest; hij wilde graag “iedereen” uitnodigen.
We maakten de laatste bijdrage aan hem over, hierna was hij volwassen en kon hij voor zichzelf zorgen.
We zonden een bijzonder kruisje aan een ketting voor zijn wijding.



Er kwam geen post meer.
Na meer dan 25 jaar nooit airmail uit India meer.

*) gefingeerde naam

Een kat in de gordijnen

Kwart over 5. Ik word wakker op ons logeeradres.
Ik word zelden “een beetje” wakker,  ben meteen helder en wil de dag omarmen.
Ik pak mijn ochtendjas en daal de trap af.
Beneden schuif ik het kattenluikje van de nachtstand wel naar binnen maar niet naar buiten,  helemaal OPEN.
In de keuken ligt de afvalbak om, de deksel eraf. Koffieprut ligt op de grond


Ik zoek geen dader, maar een dweiltje en zet onderwijl water voor de thee op.
Er klinkt een bons in de kamer.
Ik loop de kamer binnen. Een plant ligt op de grond en…………….een witte kat zit op de vensterbank
Ons logeeradres heeft géén witte kat!
Twee katten schieten langs me heen de trap op.
De witte kat zit in de gordijnen (letterlijk )
Mijn hart klopt in mijn keel.
Op zo’n kattenpanieksituatie ben ik niet voorbereid.

Inmiddels valt een kandelaar om; de witte is weer uit de gordijnen, rent de kamer door de keuken in en “vliegt” op de magnetron (die hóóg staat)
Ik wil de buitendeur openen en de kat(ten) naar buiten laten, daarvoor moét ik langs de magnetron, waar de kat dan afvliegt, er valt weer wat op de grond.
Totale chaos.
Ik “mis” nog één hier thuishorende kat; de andere twee zijn naar boven gevlucht.
Als ik de achterdeur openzet (en vergeet dat er een dranger op zit en de deur dus meteen weer terug klapt) “vliegt” er binnen een kat over de bank.
Ik zet de buitendeur met een haak vast en ik roep mijn, nog slapende echtgenoot; dit is teveel voor één persoon.

Als hij beneden komt is “de witte” nergens  meer te zien.
Hij zoekt, ik zoek. Géén witte te zien.
Inmiddels naar buiten gevlucht?
Ik ben er niet gerust op.
We ruimen de ravage op, die eigenlijk nog best meevalt; er is, behalve een afgebroken steel van een plant, voor zover we zien, niets kapot.

Mijn lief gaat weer naar bed, het is nog veel te vroeg voor hem om “de dag te omarmen”
Ik zet thee en ga kijken hoe de 2 katten boven eraan toe zijn.
Ze lopen met me mee naar beneden.
Ik zet alle drie hun eten op de daarvoor bestemde plekken.

Na het eten gaat 1 kat naar buiten, de andere twee lopen zoekend rond.
Ik voel me er ook niet gerust op; ik heb de “witte” niet naar buiten zien gaan.
Hoeveel hoekjes zijn er in deze huiskamer/keuken waar een witte, wanhopige kat zich kan bevinden?
Ik dacht dat we ALLES bekeken hadden, maar het voelt niet goed.

Als ik denk dat er een wit kussentje in een onmogelijk hoekje achter de bank gevallen is, blijkt het toch de witte kat te zijn.
Ik stuur de 2 “bange” katten (weer) naar boven en haal meteen mijn lief (weer) uit bed.
Zoals ik eerder vermeldde; dit is teveel voor één persoon: een kat in het nauw kan rare sprongen maken!
De bank wordt verschoven, er achter blijkt een doodsbange witte poes te zitten.
Géén van ons beide is bereid de poes beet te pakken.
Achter de bank vandaan jagen lijkt de beste optie.
De keukendeur wijd open, de obstakels onderweg  aan de kant en dan de bank zover wegschuiven dat de “witte” geen bescherming meer heeft en het “open veld” in moet, waar de open keukendeur (lees vrijheid)  is.

Aanvankelijk lijkt het niet te gebeuren, mijn lief probeert  met de steel van een hark de kat de goede kant van de hoekbank op te sturen, daarna met lieve woordjes (die ik nu écht niet op kan brengen)
De lieve woordjes doen het, de “witte” rent  uiteindelijk achter de bank vandaan, naar de opendeur waar de vrijheid wacht én een boze derde kat Ook een bovenkat rent de trap af en jouwt de witte nog na. De witte springt tegen de schutting aan en verdwijnt.

Wie zegt dat katten saai zijn en alleen maar liggen te slapen?
Wij hebben na twee dagen genoeg kattenreuring gehad; van mij mogen ze de rest van de tijd “saai” op de bank gaan slapen.


Vaccinatievervoer

In de wachtkamer van de fysiotherapeut komt een dame achter een rollator binnen. Ze heeft een apart mondkapje voor, ik moet erom  lachen.

Hoewel ze aan de andere kant van de wachtkamer moet zitten (de andere stoelen zijn met rood/wit lint verboden gebied verklaard) raken we aan de praat. Ze blijkt 83 jaar te zijn en vertelt dat ze onlangs gevaccineerd is.
Toen ze de GGD belde voor een afspraak bleek ze naar een priklocatie van 25 kilometer ver te moeten.
Dat was even een “dingetje” voor haar, zonder eigen vervoer  én met een rollator lopend was openbaarvervoer geen optie.
Ze belde een taxi voor informatie. Heen en terug bleek € 120,= te kosten.
Dat was wel erg veel, ze bedankte en belde een ander taxibedrijf.

Een andere dame die inmiddels ook de wachtkamer was binnengekomen haakte hierop in “Maar heeft u dan geen vrienden die u even konden brengen?”
Ik zat met kromme tenen. Wat  dacht ze zelf? Wat een “ongevoelige” vraag!
De oude dame negeerde de vraag.

Het volgende taxibedrijf rekende € 90,= ook daarvoor bedankte ze.
Ze liep een tijdje rond met de vraag wat ze nu doen moest; ze MOEST naar Almere dus besloot een derde taxibedrijf te bellen en het maar “gewoon” te doen; ze moest er toch heen.
Nu nam ze de onderste van de lijst taxibedrijven bestelde de taxi op de prikdatum en tijd en vroeg als laatste ”Wat kost het eigenlijk?”
Het antwoord: ”Niets mevrouw, u belt met de Rode Kruis taxi, die brengt u gratis naar de vaccinatie locatie en weer terug”
“Wat had ik een geluk hé? ” De dame glunderde, dat kón ook niet anders met dat masker dat bijna haar hele gezichtje bedekte.


De fysiotherapeute opende haar spreekkamer en keek de wachtkamer rond, ze zag haar patiënt en lachte “Ik word altijd zo blij van u zo” De dame stapte kordaat achter haar rollator de spreekkamer binnen “Dát is ook de bedoeling”
Ze draaide zich even om en zwaaide naar me “Dag


Bijna Pasen.

Het is bijna Pasen.
Dat zie ik niet aan de paaseitjes in de supermarkt, want daar kom ik met krukken “even” niet.
Ik zag het vanmorgen aan iets anders.
Er lag namelijk een paasei in de vijver!
Het dreef!
Omdat onze tuin verdiept ligt kan ik niet “even” ( met krukken) naar buiten en dat bekijken, ik moest wachten tot mijn lief de vissen ging voeren.
Die vissen trokken zich trouwens niets aan van dat witte ding in hun zwemgebied.

Er ligt momenteel een net over de vijver, een afschuwelijk gezicht, maar de reiger is al meer malen langs geweest om één van onze ( of allemaal?) vissen te verschalken.

Normaal vliegt hij weg zodra we tegen de schuifpui aan tikken, maar de laatste tijd laat hij zich niet meer zo makkelijk wegjagen. Hij heeft honger en wil VIS!
Dus is een (opvouwbaar gemaakt) net de enige optie.

Maar goed, het drijvende ei lag ONDER het net; de mazen van het net zijn té klein om een aanwaaiend ei door te laten. Het ei moet dus in een klein plekje zonder net gevallen zijn en daarna onder het net gedreven. Bijzonder.

Mijn lief voerde de vissen en liet me het ei zien; het was een kunststof ei met een strikje en een lintje eraan. Mijn lief nam het niet mee naar binnen maar hing het in de geelbloeiende forsythiastruik; het staat wel paasachtig!

Uit ons slaapkamerraam zag ik later dat de hele buurtuin vol met paaseitjes hangt, aan hun pergola, in hun struikjes en tegen hun buitenmuur aan; ze hebben er echt een PAASTUIN van gemaakt.
Ik denk dat “ons” vijverei bij hen vandaan gewaaid is.

Hier binnen heeft Pasen nog niet toegeslagen. Mijn lief is niet zo van seizoensgericht versieren, dat is normaal MIJN ding.
De dozen met Paasspullen staan echter op zolder, voor mij voorlopig verboden gebied en voor hem niet zijn favoriete plek, schuin onder de hanenbalken

Wat ik wel binnen “handbereik” had was mijn doosje schapen.

Door mijn ongelooflijk handig pakapparaatje, kan ik, ook al mag ik met de nieuwe heup beslist niet bukken, wel dingen oppakken die laag staan: het doosjes met schaapjes was binnen mijn bereik.
Nu staan er verschillende schaapjes binnen mijn zichtveld, misschien niet Paasachtig, maar wel “lentig”

Behalve schapen staan er nog geschonken witte druifjes en hyacinten in de huiskamer dus met die lentesfeer zit het wel goed.

Ik weet het: één ei maakt nog geen Pasen, maar Pasen is wel in aantocht