De akelei – Aquilegia

Iemand maakte opmerkingen over mijn akeleien in de voortuin, zoveel variaties en kleuren.
Ik zal eerlijk zeggen dat dit zo’n makkelijke plant is dat ik geen enkele credit als goed plantenverzorgster hoef te krijgen.
Ooit heb ik de plant in de voortuin gezet en, in tegenstelling met erg veel andere planten in de voortuin, groeide deze meerjarige plant als een speer, zaait zichzelf uit en komt nu her en der in de voortuin te voorschijn.

De Latijnse naam Aquilegia komt waarschijnlijk van “aquilegus “ dat water aantrekkend betekent.
De bloeitijd is NU en kan tot juli voortduren en het ras behoort tot de ranonkelachtigen.
Het is een winterharde,  bladverliezende meerjarige plant, en kent ongeveer 120 varianten en komt voor in Europa, Noord Amerika en ook, naar het schijnt, in sommige (berg) gebieden in Azië.
Ik vind het juist wel mooi dat er ’s winters praktisch niets van de plant te zien is en dan, als uit het niets, komen er uit de zwarte aarde blaadjes en een steeltje  te voorschijn en voor je het weet heeft één  rank takje  met veel bloemen
Bijen verdwijnen soms helemaal in de kelk om er honing uit te halen.

Voor kinderen en huisdieren is de plant wel licht giftig

Akelei

In 1504 maakt de Duitse kunstschilder, tekenaar,maker van houtsnedes en kopergravures Albrecht Dürer (1471-1528) een  aquarel van een akeleiplant

De Nederlandse twintigste- eeuwse dichteres en classica Ida Gerhardt (1905-1997) schreef  in de jaren ’60 het onderstaande gedicht erbij.

 

 

 

akelei totaalDe akelei

Toen hij het kleine plantje vond,
boog hij aandachtig naar de grond
en dan, om wortels en om mos
groef hij de fijne aarde los,
voorzichtig – dat zijn hand niets schond.

Behoedzaam rondom aangevat
droeg hij het langs het slingerpad
van bos en akker voor zich uit,
en schoof het thuis in ‘t licht der ruit
zoals hij het gevonden had.

Dan, fluitende en welgezind
mengde hij zoekend eerst de tint;
diepblauw en zwart ineengevloeid,
met enk’le druppels rood doorgloeid,
dat het tot purper samenbindt.

En uur aan uur trok stil voorbij;
zó diep verzonken werkte hij,
dat het hem soms was of zijn hand
de vezels tastte van de plant-
zo glanzend kwam de omtrek vrij.

Totdat het gaaf te prijken stond:
de wortels scheem’rend afgerond,
het uitgesprongen groene blad
scherp in zijn karteling gevat
tegen de lichte achtergrond;

de bloemkroon purper violet,
de hokjes om het hart gebed
en boven de geknikte steel
de honingsporen, het juweel
vijfvlakkig: kantig neergezet.

In ‘t vallend donker toefde hij
nog dralend bij zijn akelei;
dan, in het laatste licht van ‘t raam
schreef hij de letters van zijn naam
en ‘t jaartal glimlachend erbij.