Omgevingsgeluiden

Als je zo als wij, lang in een galerijflat gewoond hebt, in een plaats met 90.000 inwoners*) ben je gewend aan veel geluiden om je heen.
Boven- onder- en zijburen hebben was in het begin   wel “even” wennen. De ene buur heeft nachttarief en laat de wasmachine ’s nachts draaien; er rennen kinderen over de galerij ,mensen hebben nachtdienst en je hoort het als er bij de buren gebeld wordt.

Daarna kwamen we in een rijtjeshuis in een klein dorp te wonen. Mijn lief zei wel eens dat in het begin de stilte pijn aan zijn oren deed.
In de loop van de jaren is er veel veranderd; grastrimmers en bladblazers deden hun intrede, bewoners kregen meer dan 1 auto (straatbeeld veranderde enorm) en de vlak bijliggende Rijksweg werd steeds drukker en zorgt voor een constante ondertoon van gezoem.

In ons tijdelijke logeeradres (portiekwoning)  in de op 3 na grootste stad van Nederland ,zijn weer andere omliggende geluiden waaraan we wennen moeten.
Om te beginnen is hier overdag bijna ieder uur wel een sirene (ambulance, politie of brandweer, ik herken de verschillen niet)
Ook hier boven- zij- en benedenburen. Waarbij de 2 jongentjes van de bovenburen de kroon spannen; elk vrij moment dat ze thuis en wakker zijn voetballen ze in de gang, zodat het beneden lijkt of er constant onweer “in de lucht” is.
Wat ook  wennen is; geen voortuin! Als er mensen hun fiets voor de deur neerzetten of staan te praten, lijkt dat net of ze bij je in de kamer staan.

Elk nadeel heb zijn voordeel zei Cruijff ooit en zo is het ook. In een grote stad verblijven heeft voordelen: elke 10 minuten gaat er een tram waarheen je maar wilt, er zijn overal “bijzondere” winkels vlakbij;  en de architectuur is hier prachtig; niet alleen de grote huizen hebben prachtige versieringen in de bouwstijl, ook portiekwoningen en appartementsgebouwen hebben  ornamenten en zijn bijzonder om naar te kijken én  wat betreft de geluiden: ’s nachts is het soms ook “even” stil.

 

 

*) in 1958 nog 100.000 maar het aantal liep en loopt nog steeds, terug

Een “aparte”dag.

We passen op huis, haard, planten en dieren van lieve mensen.
Hun huis is een portiekwoning in de hoofdstad van de Provincie Zuid Holland.
Het huis heeft een lange gang waarnaast de huiskamer ligt, de gang mond uit in de keuken, waarachter de werkkamer waarachter de slaapkamer ligt, met daarachter de schuur. (belangrijk voor het verhaal)

Er is een keer bij hen ingebroken dus het huis sluit als een fort, met 2 aparte sloten.
Eenmaal de deur dicht is er geen mogelijkheid meer om er in te komen, géén achterom, muurtje om overheen te klimmen of openstaand raam. Sleutels ALTIJD mee dus.
Op loopafstand is een AH, dus ’s morgens loop ik daarheen om een krantje en verse broodjes te halen.

Mijn lief slaapt uit (het is vermoeiend om op te passen!) en ik loop in de stromende regen naar de AH. Behalve broodjes en krant neem ik ook een pak toiletpapier mee, want ik zag dat dat bijna op was (belangrijk voor het verhaal) De kassière vraagt of ik voetbalplaatjes wil en aangezien ons enige kleinkind GEK op voetbal is zeg ik met graagte JA. Ik krijg een enorme stapel mee.
Als ik vlakbij het huis kom graai ik in mijn zak en voel mijn hoofd vuurrood worden: ik heb de deur achter me dicht getrokken ZONDER de sleutels in mijn zak te stoppen!
Mijn mobieltjes zit in de tas die op de bank ligt en de deurbel werkt vaker niet dan wel weet ik.

Ik bel, hoor de bel niet en mijn slapende lief ook niet, wed ik.
Ik klepper met de brievenbus en tik tegen het raam. Tevergeefs ik wéét het, maar wil toch WAT doen. In een grote stad bemoeit niemand zich met elkaar, dus al sta ik drie kwartier met de brievenbus te klepperen, op de deur te bonzen en op de bel te drukken, geen buurman of vrouw trekt zich er iets van aan. De schuinbovenwonende buurvrouw en bekende van ons en de oorspronkelijke bewoners logeert tijdelijk elders, dus ook daarvan hoef ik geen hulp te verwachten.

Gelukkig is het een PORTIEKwoning, dus ik sta droog, de trap is nat maar aangezien de vele rollen wc papier in plastic zijn verpakt en lekker zacht zijn leg ik die op de trap. Ik heb wel een krantje én voetbalplaatjes. Ik wissel af; bonken, beldrukken, voetbalplaatjes scheuren en door de brievenbus roepen.
Niet dat het zin heeft; de slaapkamer is erg ver van de voordeur er zit een halletje met tochtdeur tussen en vele meters gang, keuken en kamer. Mijn lief zal VANZELF wakker moeten worden.

Drie kwartier later:  mijn lief is (uit zichzelf) wakker geworden en hoort een raar geluid dat hem naar de voordeur lokt: Ik kan naar binnen.
Ik pak de boodschappen uit de tas en zie dat een van de katten op de bank gekotst heeft; dit gaat een bijzonder dagje worden.
’s Middags wilden we fietsen, mijn band stond lek.
Er stond een reservefiets, daar was het ventiel van stuk!