Eén bezoeker per keer.

De (regerings)Coronaregel is één bezoeker per keer en aangezien we niemand willen besmetten en zelf ook niet met Covid 19 besmet willen raken, houden we ons daaraan.
Dat heeft wel tot gevolg dat er weinig reuring bij ons thuis was.

Door mijn ziekenhuisopname kwamen er opeens “mensen” in huis netjes één per keer mét mondkapje voor. De één vertelde hoe ik mezelf uit bed kan hijsen met behulp  van een shawl, hoe ik de hoge voordeurstap mét krukken kan maken zonder te kukelen, met een hulpstuk zelf sokken aan kan doen. Een ander ging oefeningen met me doen en vandaag was er (het was  eerder nogal druk bij de ergotherapie geweest!) iemand die me liet zien hoe ik, met hulpmiddel WEL de hoge stap in ons bad ( waar de douche boven hangt) kan maken en weer zelf douchen kan!

Sokaantrekker en van- de- grond -pakker


’s Middags kwam er weer een andere dame beroepsmatig naar me kijken.
Waar ik namelijk aanvankelijk NIET aan gedacht had was dat als je NIET mag bukken, je niet je teennagels kan knippen en dat, ook in Coronatijd, die nagels gewoon doorgroeien. Dus ook daar kwam iemand voor.

Ik wéét dat ik in Coronatijd, vóór dit alles, wel eens riep dat ik  het zo stil vond in huis en dat de agenda zo LEEG was. Nu is dat allemaal anders;  zoveel mensen die komen om “aan me te zitten”, te zeggen wat ik doen kan om mijn onvermogen te verkleinen: Terug naar de arts, 2x per week fysiotherapie, terug naar de andere arts, ik ben er maar druk mee! Geweldig dat het kan en mag ( we hebben in Nederland een geweldig gezondheidssysteem) maar ik ben wel de hele tijd met mezelf bezig en dát is niet “gewoon”

Natuurlijk heb ik het allemaal zelf (of bijna zelf) in gang gezet om me te helpen min of meer “aangepast” te leven.
Maar eigenlijk wil ik weer alles “gewoon” zelf doen (zonder hulpmiddelen)
Ik heb begrepen dat dát nog wel een tijdje gaat duren, ook als ik ALLE oefeningen trouw doe ( en dus af en toe barst van de spierpijn)

“Anders” in lockdown.

Normaal hebben wij best een volle agenda: Sociaal, Cultureel en Maatschappelijk.
Er is altijd wel een tentoonstelling die we willen zien, een lezing die we willen volgen, een doel waarvoor ik me inzet, een vriendin die bezocht wil worden, mensen die komen eten, kortom: reuring.

Nu met de lockdown is de agenda zo goed als leeg!
Musea, workshops, lezingen, ze zijn allemaal uit- of afgesteld! (of digitaal; iets dat je met sloffen aan op de bank, laptop op schoot kunt volgen. dat is toch ANDERS!)
Vrienden mogen niet samen bezocht worden of langskomen( hooguit samen een wandelingetje maken) en ook de Goede Doelen liggen stil.

De week voor mijn trapval stonden er 2 dingen in de agenda!
Normaal ben ik geen fan van noch de kapper, noch de tandarts, noch de mondhygiëniste.
Alle drie zijn het leuke, kundige vrouwen, waar ik al jaren kom, maar ik houd niet van gedoe aan mijn hoofd.



Ook nu, in Coronatijd niet, maar het was wel even “iets anders”, even ergens HEEN.
Het ging nog nét niet zover dat ik me erop verheugde, maar bijna wél.

Bij de kapper was het “anders” dan NORMAAL door de mondkapjes, de plastic schermen, het uitsluitend op afspraak, dus geen in- en uitloop en geen koffie.

Bij de mondhygiëniste was het “anders” in de wachtkamer; geen gezellige leestafel met bloemetjes en knusse gesprekken met andere wachtenden, maar stoelen op grote afstand (wachtenden op afstand met mondkapjes voor nodigt niet uit tot gesprek) en de gezellige tafel was weggehaald.
Maar binnen was het als van ouds. Mijn mondhygiëniste draagt altijd iets voor haar mond en ik hoef alleen in de wachtkamer een kapje voor; eenmaal in de spreekkamer gaat de mond open en wordt er gewerkt: Zij dus; ik ben slechts lijdend voorwerp!
We hebben wel zo’n (20 jaarlange) relatie dat er af en toe gepraat wordt.

Het punt dat ik in dit blog wil maken is dat (bijna) NIETS normaal is in deze Coronatijd. Het feit dat een bezoek aan de mondhygiëniste al bijna een “uitje” is, was toch ooit ondenkbaar?

Dit punt werd  ook nog door een verhaal van de mondhygiëniste benadrukt:
Een bevriende tandarts had na een paar patiënten te hebben geholpen een uurtje vrij (door de enorme sneeuwval hadden een paar patiënten afgezegd). Haar praktijk ligt  niet ver van de markt en ze besloot naar de markt te gaan om even een visje te kopen.
Ze raakte aan de praat met de visboer die vertelde hoe anders deze tijd is en dat hij laatst naar de tandarts ging en dat bijna als een “uitje” beschouwde.
De tandarts lachte en zei:” Ik ben tandarts en mijn uitje is even naar de visboer een visje kopen”

Ik ben dus niet de enige die “gewone” dingen nu als bijzonder ervaart, ik vermoed dat we dat allemaal wel kennen.

Humor

Voor mij is humor van levensbelang. Humor relativeert, maakt zelfkritiek mogelijk, maakt ondragelijke dingen dragelijk en kan samenhorigheidsgevoel (als je samen om dingen kan lachen) versterken.

Er zijn vele soorten van humor:. Engelsen bijvoorbeeld maken een ander soort grappen als Nederlanders [vaak  zijn Engelsen moppen (een beetje) schuin]
Maar over het algemeen kan ik hun humor wel waarderen
Vooral woordgrappen en het subtiele (een man in een jurk en dan lachen maar, is aan mij niet zo besteed)doet mij glimlachen



Humor hoeft niet altijd opzettelijk “gemaakt” te zijn. Soms gebeurt er iets of zegt iemand iets en kun je er het lachwekkende daarvan inzien.

Ook in het ziekenhuis heb ik af en toe moeten lachen. Niet alles is leuk bedoeld, maar omdat je in een totaal andere wereld bent beland komen sommige dingen komisch over:
Zoals een gesprek van 2 zusters voor mijn (immer openstaande) deur
– Wil jij zo even kamer 2 bloed afnemen? In de ellenboog. –
-Gatsie, ellenboog heb ik nog nooit gedaan –
– Wil je even op mij oefenen?-
-???-
– Dat kan hoor.-
-Maar is jouw ellenboog niet lekgeprikt dan?
– Nee hoor, rechts gebruik ik voor leerlingen om te oefenen en mijn linker ellenboog als ik zelf wat krijg-

De verpleegster die vlak daarna bij me binnen kwam en me zag lachen, wees met haar duim over haar schouder naar de gang, ik knikte.
“Zou ik nooit laten doen, maar zij is er zo makkelijk in”
Deze verpleegster vond oefenen op een sinaasappel oefening genoeg!

Nog iets waar ik iets lachwekkends in zag: het verslag van mijn operatie!






Ik was onder zeil dus heb (gelukkig) niks meegekregen van wat daar gebeurde. Het verslag was technisch en zei me weinig, maar als ik zie dat er voor mijn operatie oa een kurketrekker gebruikt is, dan heb ik daar een bepaald beeld van en moet (glim) lachen. Het zal vast een ander gereedschap zijn geweest, maar ik had deze voor ogen.



Het laatste voorbeeld dat ik met jullie wil delen en onlangs gebeurde was, toen mijn man de eerste keer na mijn thuiskomst boodschappen ging doen (normaal doe ik de boodschappen)





In de loop van de jaren hebben we aardig wat geweldige supermarktmedewerkers leren kennen. Eén van hen had, toen hij een jonge hond kreeg, ons traphekje geleend ( dat hadden WIJ aanschaft voor de logeerhonden die hier komen en we niet boven willen hebben)
Vlak voor mijn ongelukkige val had hij het traphekje teruggebracht.


Mijn man doet boodschappen en ziet de betreffende supermarktmedewerker
– Mocht ze niet mee?-
Mijn lief vertelt van de val en mijn huidige immobiliteit, hij wenst me beterschap toe.
Als mijn man zich opdraait om weg te lopen roept hij nog na “Traphekje moeten gebruiken he!

Warmte, liefde, aandacht en meer

Als je ziek bent (of zoals ik, van de trap val) krijg je van vrienden en familie aandacht, trosje druiven, bosje bloemen, een tijdschrift of boek, maar bovenal BEZOEK.

In Coronatijd kan een heleboel NIET. Eén persoon op bezoek mag, maar aangezien bijna iedereen een partner heeft en ze meestal samen komen, komt er ook NU niet één alleen; dus (bijna) niemand.

Sommigen hebben daar iets op gevonden. Dan gaat de bel en staat een bloemist met een prachtige bos bloemen voor de deur.
Natuur in het algemeen en bloemen in het bijzonder hebben voor mij een helend vermogen. Ik word er, ziek of niet, pijn of niet, altijd blij van.

Ik was amper thuis toen de bel ging: een buurvrouw met één roze roos. ( Eén rode roos kreeg ik al van mijn lief om de erg witte ziekenhuiskamer op te fleuren)

Dezelfde avond wordt er een prachtige bos bloemen bezorgd. Ik kruk naar de aanrecht, manlief zoekt een vaas (op mijn aanwijzing) en ik frunnik de bloemen in de vaas (mét bloemenvoeding)
Het fijne van krukken is dat je je kan verplaatsen, het nare ervan is dat je NIETS mee kan nemen.
Zodra de bloemen “geschikt” zijn en ik wegkruk, vraagt mijn lief waar ze heen moeten.
We verzinnen samen een plek.

De volgende dag gaat de bel, iemand komt horen hoe het met me gaat én…. neemt een schattig boeket mee. Na zijn vertrek treedt mijn “schikproces” weer in werking.
Het wordt steeds “zonniger” in huis. ’s Avonds onder het eten staat er een bezorger voor de deur met een pakje.
Ik heb niets besteld, en als ik mijn lief aankijk; hij ook niet.
De bezorger is al weg; het pakje ligt voor de deur: Corona, dus geen echt contact.
Na het eten open ik het pakje.
In het pakje zitten 2 joggingbroeken in 2 verschillende maten. De geefster wil me “ontzorgen” en zo heb ik iets om te dragen zonder dat het ongemak van “strakke kleren” met zich meebrengt.
De sluizen van mijn traanbuizen gaan open. Ik snif een potje aangedane tranen. Hoe lief kan iemand zijn?

De volgende dag hoor ik mijn man lachend aan de deur praten met een, mij onbekende, stem.
Als ik beneden ben (ik kán zelf de trap af, maar manlief wil erbij zijn) zie ik dat er weer een boeket bezorgd is. Het was dezelfde bloemist geweest als de vorige keren.

Hij en mijn man hadden geintjes gemaakt en “tot ziens” gezegd.
Dat was kennelijk de Goden verzoeken want er kwamen meer bloemen, maar van een andere bloemist!
Dit keer een bollenbakje, waarvan bijna alles nog uit moet komen.
Ik vind dat altijd zo verwachtingsvol: “zomaar” zie je een narcis, krokusje of blauwe druifje tussen de groene sprieten, de volgende dag nog een en dan heb je “opeens” een kleurig geheel!

Het is nu echt een blij huis met weliswaar kussens onder de bank, een verplaatste tafel (om mij vrije doorgang met krukken te verlenen) en iets meer “troep” her en der omdat ik niks mee kan nemen als ik wegloop, maar verder geurt en straalt het hele huis: De dame des huizes is weer thuis en wat heeft ze een ontzettend lieve kring van dierbaren om haar heen! Dan wel de mensen zelf niet, maar ze maken zichzelf wel “zichtbaar” door hun bloemengroet en ontzorgpakket!

Ik ben weliswaar een gebutst en gedeukt, maar tegelijkertijd ook een zeer gelukkig mens.



Thuis en dan?

En dan kom je thuis uit het ziekenhuis.
4 Dagen geleden werd je eruit getild op een brancard.
Een heel zware, pijnlijke nacht, een operatie en een dag therapie later stap je voor die deur uit de auto en kruk je langzaam naar je eigen voordeur.
De stap naar binnen blijkt hoger te zijn dan je je herinnerde en als je eindelijk met wat kussens  onder je (omdat de bank te laag blijkt te zijn) op de bank zit, ben je bekaf, maar zoooo blij thuis te zijn dat je glunderend achter je kopje homemade cappuccino zit. De vogeltjes in de tuin twinkelieren, je lief is er zonder dat het bezoekuur is, het zonnetje schijnt en je voelt je on top of the world.
Een tijdje daarna lijkt het of je een leeggelopen ballonnetje bent, bekaf van alle emoties.

De trap naar boven blijkt wel meer treden te hebben dan het korte leer trapje in het ziekenhuis en het lijkt wel érg lang te duren vóór je boven bent.
Nu blijken er heel veel handelingen te moeten gebeuren. Normaal doe je die achter elkaar, nu moet je erbij nadenken, en dát is, na de emotionele rollercoaster waarin je terecht gekomen bent ná de misstap van het laatste zoldertraptreetje een béétje te veel gevraagd

Met je krukken keren in de badkamer, je tanden poetsen maar niet voorover kunnen buigen om je mond onder de kraan te houden, je kleren uit, maar niet kunnen bukken en last but not least,  je broek uit. Dat kan dus echt niet zonder hulp. Frustratie, om  hulp vragen is niet mijn sterkste kant, ook al staat mijn lief hulpvaardig naast me.
En dan: het pièce de résistance: je bed in.
Nooit over nagedacht HOE je dat doet, maar nu….

Het bed staat op klossen (advies van de therapeut) Maar dit bed kan de verpleegster niet lager zetten, ik heb geen papegaai  en mijn ene been wil niet zelfstandig omhoog (de nieuwe heup is nog gloednieuw en niet “ingewerkt”)

De therapeute in het ziekenhuis had me een tip gegeven: een shawl onder het been  manoeuvreren en dan met twee handen het been met de shawl naar je toe trekken, zo kun je het weerbarstige been toch binnenboord halen.
Shawls genoeg, dus mijn lief geeft een lange shawl aan en ik haal zo mijn been binnenboord.
Slimme truc!

De nacht was kort maar goed (nergens slaap je zo lekker als in eigen bed);het ‘s nachts in en uit bed komen lukte: de nieuwe dag lag vol belofte op me te wachten.
Kleren aantrekken zonder hulp bleek onmogelijk.
Kleren uitzoeken bleek al een opgave; voor iemand die van strakke spijkerbroeken houdt en een nieuwe heup heeft is zo’n broek aan en uitdoen (zelfs met hulp) geen optie.

Jurken en rokken heb ik weinig. Jurken voor begrafenissen of in de zon flaneren en rokken voor  een enkele keer dat “netjes” verreist wordt!
De kast bevatte één verwassen joggingbroek voor “ niet lekker zijn en hangen op de bank zonder dat iemand dat ziet” Dat werd de keuze dus. Hij ging, met hulp, aan. Maar ik voelde me een “schoffie”

Nieuwe uitdagingen. Boven aan de trap staan en een gapend gat zien en dan met nieuwe heup in verwassen joggingbroek én één kruk naar beneden. Het voelde als een kamikaze-actie, maar het ging wel.

Coronatijd, geen  mogelijkheid om manlief “even” langs een Zeeman of Action te sturen voor een “snelle” joggingbroek.
Er zijn internetmogelijkheden, maar ten eerste heb ik net 6 weken op een trui gewacht die er binnen 2 weken zou zijn én de plaatjes zagen er allemaal mooi strak uit (met de nadruk op “strak”) niet praktisch in mijn geval.

Ik wilde een vrouw die me behulpzaam wilde zijn.
In zo’n geval pak ik “gewoon” de telefoon.
We wonen in een klein boerendorp zonder kledingwinkels, maar we wonen ook vlakbij een groter
(vissers) dorp waar zaken als Hema, Action, Blokker en Scapino zijn.

De laatste belde ik op; Ik kreeg een professionele stem aan de lijn, die ik vroeg of ze me behulpzaam wilde zijn.
Ze wou.
Ik legde uit net uit het ziekenhuis te zijn en niets te hebben om aan te trekken en graag wat joggingbroeken wilde.

Ze begreep het meteen.
“We hebben er vele, maar sommige zijn best strak. Wat heeft u mag ik vragen?”
Dat mocht.
“Dan moet ie wijd zijn, ik heb wel wat, zal ik anders een paar maten groter klaarleggen?”
Ik heb al een probleem met truttig vooruit te kunnen schuifelen in plaats van mijn ferme stap en dan ook nog in een veel te grote joggingbroek. Ik zag dat niet zitten!
Maat 40 joggingbroek was al erg genoeg! Ze moest lachen.




“ Dan doen we gewoon uw maat 40 en als het niet goed is brengt u man ze maar terug. Zwart maar?”
Ze ging ze klaarleggen, mijn lief mocht zich bij de winkel melden, dan kwam ze naar buiten om de betaling in ontvangst te nemen

Top zo’n mede vrouwmens!

Mijn dag kon beginnen IN een passende joggingbroek!




Ambulance

Onze zoldertrap heeft vanaf het moment dat het huis gebouwd werd dezelfde aantal treden.
Meestal gebruik ik die ook allemaal, zowel bij het naar boven gaan als bij  het dalen.
Vrijdag even niet. Ik vergat de onderste en maakte een enorme smak.
Meteen toen ik op de grond lag voelde ik al dat dit foute boel was. Ik gaf een gil, vertelde mijn lief dat het mis was en dat hij de ambulance maar moest bellen.



De ambulance kwam en  de bemanning “nam het over”
Het probleem was hoe kregen ze mij een verdieping lager en de ambulance in. Er werd gesproken  over de brandweer, takels én over een bepaalde greep, die ze ook konden doen. De chauffeur was stellig de greep  adviseerde hij en de verpleger ging daarin mee.
Ik barstte van de pijn en liet het maar over me heen komen.

De verpleger ging op zijn knieën naast me zitten en ging me iets uitleggen: Ik zou een prikje krijgen. Dat prikje zou mijn lichaam en geest scheiden. Met dien verstande dat er WEL pijn was, maar dat ik niets naderhand daarvan zou weten. Ik vond het allemaal prima, snapte dat ik naar het ziekenhuis moest en hoe dat moesten de 2 professionals maar uitmaken.

Er gebeurde van alles, maar ik was er niet bij, in de ambulance hoorde ik de stem van de broeder zeggen dat we op weg waren naar het ziekenhuis. Later vertelde mijn lief dat het vreselijk was om mee te maken en dat ik enorm geschreeuwd heb.( volgende dag per app mijn excuses aan de buren gemaakt, zo erg was het geweest)

We kwamen op de spoedafdeling aan en de broeder vertelde in allemaal medische termen wat er met mij gebeurd was en droeg me over aan het ziekenhuispersoneel. Ze namen afscheid en meteen zag ik mijn lief aankomen. Ik werd van brancard overgeheveld op een bed. De pijn daarvan valt niet te beschrijven. Nooit eerder had ik zo’n pijn gehad.

Ze brachten me naar de acute afdeling en vertelde me dat ik geopereerd zou worden. Mogelijk dezelfde dag nog. Ik moest dus nuchter blijven. Er werd van alles met me gedaan, röntgenfoto’s onderandere. Alles deed vreselijke pijn, mar als ik doodstil bleef liggen was het dragelijk.

Ik, die bij pijn altijd flauwvalt, bleef  deze keer overal bij (helaas).
Om half 7 werd me verteld dat de operatie vandaag NIET zou doorgaan. Ik liet een traantje vallen.
Dat zag de koffiedame, die meteen het positieve nieuws kwam melden; ik mocht koffie en iets eten als ik dat wilde. De schat. Koffie met een rietje en een bakje vla en ik zou de nacht in mogen.

Vanwege de Corona mocht mijnlief pas  de volgende dag om 3 uur komen, dan zou ik al geopereerd kunnen zijn. De arts zou hem bellen met de uitslag.

Die nacht was hel, pijn en ik niet alleen, kreunende mensen alom. Meer pijn dat dit kon gewoon niet. Alsof mijn lijf uitelkaar getrokken was. Er werd me verteld dat mijn heupkom verbrijzeld was, ik kreeg pijnmedicatie, verschillende malen zelfs, maar overal sijpelde pijn doorheen.
Ik hoorde op een gegeven moment dat de dame tegenover me op de zaal oordopjes kreeg aangeboden, toen besefte ik pas dat die af en  toe gilslakende vrouw, ikzelf was.
Iedereen was lief. Een verpleegster hield, met handschoen aan, mijn hand vast en streelde die. De tranen rolden over min toet, ik wilde zo graag FLINK zijn maar het lukte me niet.
Deze nacht zou erg lang duren.

Stenen


Ik heb iets met stenen.

Het Joodse gebruik om een steentje op een graf achter te laten om respect te betonen, om te laten zien dat je geweest bent, om te laten weten dat de dode niet vergeten wordt, om bij te dragen aan de symbolische grafsteen vind ik prachtig (en heb ook als niet Joods op menig graf een steentje achter gelaten)

Qua “stenen” vakantie was Ierland heel bijzonder, in Connemara (Nationaal Park) zijn veel stenen, cairns genaamd.
Heel veel (kleine) stenen liggen daar op elkaar gestapeld.
Vroeger was dat om vreemdelingen de weg te wijzen. Tegenwoordig stapelt elke toerist die er langs komt een paar stenen op elkaar om “iets” van zichzelf daar achter te laten (ook ik deed dat)

Van bijna elke wandeling of vakantie neem ik wel een of meer stenen mee.
De gewone, lichtgekleurde gaan in de voortuin, in een rand naast ons tegelpaadje.
De bijzondere zitten óf in een jaszak, zwerven “ergens” in huis óf zijn weggegeven.
Of, en dat zijn de meesten, belanden in mijn rotstuintje.

In een donkerhoekje onder de bamboe waar “bijna” niets wil groeien heb ik mijn” rotstuintje” gecreëerd.
Tuintje is een te groot woord: allerlei rots- en heideplantjes heb ik tussen de stenen geprobeerd, bijna al het levende gaf het na verloop van tijd op; de bamboe “pikt” al het water daar.
Momenteel liggen e wat afgevallen bladeren op (beschermen met heftige vorst het levende iets dat er nog wél groeit) en ziet het er niet uit, maar in de lente, na de grote schoonmaak is het weer een leuk (herinnerings) hoekje


Ook kreeg ik ooit een vriendschapssteentje een, in de vorm van een hartje, rood geschilderd steentje, het ligt op mijn kleine altaartje

Onlangs kreeg iedere buurtbewoner van een Welzijnsorganisatie een “pakketje” om de Coronatijd door te komen met een puzzel met pen, 1 kopje koffiebon voor “als het weer kan”, een pakje stroopwafels, lootjes voor een loterij, een recept én een idee om een zwerfkei(tje) te beschilderen en ergens in de wijk achter te laten. Een leuk initiatief, waar ik gehoor aan heb gegeven: ik heb “ergens” beschilderde steentjes achtergelaten.
Na eerst uitgezocht te hebben, welke stenen uit mijn tuintje ik zou gaan beschilderen.
Die stenen lieten het me zelf laten weten en zijn inmiddels beschilderd en achtergelaten.

Van mijn wandeling in de bossen van Warnsveld (blog van een paar dagen geleden) kon ik de grote K-tegel niet meenemen, wel vond ik een klein steentje met een nummer erop. Geen idee waarvan het geweest is, maar bijzonder vond ik het wel.

Drankgebruik

Mijn vader was lid van de Blauwe Knoop, dat wist ik, maar ik had het ook kunnen zien, hij droeg een blauwe reversknoop. Dát was een teken dat hij lid was van de Nederlandsche  Vereeniging tot afschaffing van alcoholische dranken.

Mijn vader stierf toen ik nog heel jong was, dus ik heb nooit met hem kunnen praten over het waarom.
Heel vroeger, zo heb ik me laten vertellen, gingen er veel gezinnen kapot omdat de heer des huizes een groot deel van zijn loon (toen nog handje contantje) in de eerste de beste kroeg op weg van zijn werk naar huis, op dronk.



Ik geloof niet dat zijn lid-van-de-blauwe-knoop-zijn voortkwam uit vroeger meegemaakte dingen
Mijn opa en oma stierven binnen een half jaar na elkaar toen ik nog maar 2 was, dus van hen weet ik zo goed als niets.
Een broer (Jappenkamp) en een zus van hem waren al overleden vóór mijn geboorte, maar zijn andere 4 broers heb ik veelvuldig meegemaakt en nooit één van hen zelfs maar aangeschoten gezien.
Twee broers waren zeker géén lid van de blauwe knoop want zij hadden allebei een hotel/restaurant!

Misschien heeft mijn vader andere dingen met dronkenschap meegemaakt waardoor hij niet dronk en er ook in ons huis nooit drank was.
Ik geloof wel dat er een fles Pleegzuster Bloedwijn in huis was, maar dat zal wel ná mijn vaders dood geweest zijn. Deze Bloedwijn  was ( is?) versterkt met ijzerverbindingen en calciumglycerofosfaat, hetgeen een “heilzame” werking zou hebben (hetgeen later in twijfel werd getrokken)
Ik herinner me dat mijn moeder een keer is flauwgevallen en mijn schoonzusje uit het dressoir de fles bloedwijn te voorschijn haalde en mijn moeder toen ze bijkwam, een glaasje gaf.
Ik vond het als kind een vreselijke naam: bloedwijn, ik denk dat ik er een soort vampierengedachte bij had!

Twee van mijn drie broers hebben nooit gedronken, zelfs geen biertje! Mijn oudste broer wél en dat zou best eens vroeger ontstaan kunnen zijn uit rebellie tegen mijn vader!

Zelf kan ik slecht tegen alcohol, één glaasje en ik wordt slaperig. Dus ik drink buitenshuis zelden tot nooit en ZEKER geen druppel als ik nog moet autorijden!
Tegenwoordig thuis is een ander verhaal. Nu, door Corona, we veel vaker thuis zijn dan ooit hebben we een borreluurtje vóór het avondeten ingesteld: (een toastje met) kaas, of worst erbij, een kaarsje aan en dan een cola- tic of glaasje Port

In het ziekenhuis, toen ik naar de kaakchirurg moest, vroeg de assistente of ik een formulier wilde invullen. Het ging over ziektes die ik ooit gehad zou kunnen hebben, medicijnen die ik zou geslikt hebben of nog slikte én of ik rookte en/of dronk en zo ja hoevéél.

Op dat moment kwam mijn blauweknoop-opvoeding naar boven.
De volgende vraag, als je JA bij alcoholgebruik had ingevuld, luidde: hoeveel glaasjes  gemiddeld per dag?
Eerst wilde ik nog smokkelen (er zijn wel eens dagen dat het borreluurtje wordt overgeslagen) maar  er waren ook wel eens dagen dat ik 2 glaasjes dronk!
Ik heb “eerlijk” 1 glaasje ingevuld.


Die avond hielden we, laat thuis uit het ziekenhuis, geen borreluurtje, maar rukten we een flesje wijn bij het eten open. De kurk  van deze fles was (nooit eerder gezien) Blauw!





Afwassen en –drogen.

Eén van de geweldigste uitvindingen voor een huishouden is, vind ik, de vaatwasser.
Ik heb altijd een vreselijke hekel gehad aan afwassen én drogen. Eén van de (mijn) redenen:
Het komt elke dag 3x terug.
Dát gaf mij het gevoel van ALTIJD aan de afwas zijn.

Dus, met een, vroeger dichte, keuken stapelde ik de afwas op de aanrecht en deed na het avondeten 1x de hele afwas. Die stond dan op een afdruiprek ZELF te drogen en op het moment dat er afgewassen werd, ruimde ik ook de, dan grotendeels droge, vaat op.
Het gevolg: er stond ALTIJD vuile vaat op de aanrecht.
Deur van de keuken dicht; niemand die het zag.

Totdat we verhuisde en het nieuwbouwhuis een openkeuken had!
Ik haatte nog steeds het afwassen maar nu kon IEDEREEN de vuile vaat op de aanrecht zien.
Sterker nog als je op de voordeurbel drukte, stond je tegelijk met je snufferd voor het keukenraam op de aanrecht te kijken!
Ik nam me voor na elke maaltijd af te wassen en drogen.
Dát voornemen werkte niet altijd!


Vele jaren later kwam er een nieuwe keuken. Mét een afwasmachine.
Ik heb er voor moeten soebatten, want milieubewust  was het NIET en min lief was mega TEGEN.
De keukenboer was vóór (logisch hij verdiende dan meer) en samen met hem ( 2 tegen 1) kon ik de weerstand van mijn lief breken.
Ik was (en ben) nog steeds erg blij met mijn vaatwashulp.
Nooit meer afwas op de aanrecht; vuile afwas gaat direct in de machine, deurtje dicht, niets te zien.

Nu zou de vraag van u, lezer, kúnnen zijn HIELP dan niemand je met dit vervelende karweitje?
En het antwoord is NEEN, ik gaf ze de kans niet.
Als kind haatte ik het afdrogen (niet na het avondeten buiten spelen maar éérst afdrogen!) en ik zwoer mezelf de (dure) eed dat, mocht ik ooit kinderen krijgen, ze nóóit hoefde af te wassen of drogen.[Mijn lief was veel weg (werk) dus het afwassen kwam (meestal) op MIJ neer.]

Wat me aan de vaatwasser (een klein beetje) irriteert is dat, als de piep geklonken heeft en ik het deurtje van de vaatwasser openmaak, alles droog is, behalve de……………. plastic voorwerpen (niet alles dus) Die dingen moeten dus toch nog apart worden afgedroogd!

Ik weet dat aardewerk en metaal (borden en pannen) prima warmtegeleiders zijn en bij het drogen van de vaatwasser de aanhangende druppels daarvan verdampen. Dát gebeurt bij plastic dus NIET.
Ik zet plastic spul altijd schuin, zodat het water er afdruipt, gevolg: minder nat, maar toch is dan theedoekhandwerk van mijn kant nodig)

Gisteren las ik  hier een stukje over. Het blijkt dat er voor dit al dan niet aanhangende “waterfenomeen””  woorden zijn:  hydrofiel (waterlievend)  en hydrofoob (watervrezend)
Hydrofoob: Op hydrofobe oppervlaktes blijft het water in druppelvorm liggen.
Hydrofiel:  Over hydrofiele oppervlaktes verspreidt het water zich heel gemakkelijk en vormt het een dunne, gladde laag [Het woord hygroscopisch (wateraantrekkend) kende ik al wel: de eigenschap van een materiaal om water (uit de lucht) aan te trekken  en daardoor te gaan klonteren, zoals zout vaak doet!]

Het verschijnsel blijft “jammer” maar mét naam vind ik het toch iets minder erg.
Met gevoel voor drama open ik nu de vaatwasser en verzucht “ Vervelende hydrofoben!”

Geestelijke Voeding



In deze tijd voel ik mijn optimistische, mijn meestal vrolijk IK, langzaam als door een afvoerputje verdwijnen. Het kost me steeds meer moeite om opgewekt de dag te beginnen.


Ik, die altijd ’s morgens vroeg (uur of 6) uit bed sprong om de dag te beginnen, die iedere avond in bed plofte en even de mooie momenten uit de dag haalde, om na te genieten.
Die IK is langzaam aan het verdwijnen.

Ik merk nu (als ik dat al niet wist) dat de voeding voor mijn ziel bestaat uit de interactie met mensen.
Dat voel ik extra nu ik begonnen ben met de blogrubriek Souvenirs en daarvoor in mijn herinneringen graaf.
De mooie natuur, de andere culturen en de reizen, allemaal prachtig. Maar het meeste dat me bij gebleven is, zijn de (bijzondere) contacten met mensen, in binnen- en buitenland.
De interactie die soms de taalbarriére voorbij ging; de verbondenheid die je op dát moment bij dát contact voelt. Dát voedt mij.

Nu, na bijna een jaar pandemie ebt mijn “mensgevoel” weg. Hoe gelukkig ik ook ben met mijn partner en hoe fijn we het samen ook hebben, ik mis de (on)bekende ander, de onverwachte en verwachte ontmoetingen met vreemden en bekenden. De diepe gesprekken over wezenlijke dingen, maar ook de vluchtige contacten, de blikken over en weer, de snedige opmerkingen; het delen van blijheid en verdriet. Ik mis het.

Whats App, telefoon en brie
f zijn vervangers, ik ben er blij mee, gebruik ze veelvuldig; het zijn “draadjes”naar anderen, maar het contact is verre van volledig. Ik mis de aanraking, de blik in de ogen, het wederzijdse gevoel  dat over en weer stroomt.
Die dingen blijken méér mijn  geestelijke voeding te zijn dan ik gedacht had.

Ik voel me als een droogstaande alcoholist. Ik zoek naar de fles (de mens) maar het MAG niet, het KAN niet. Familie en bekenden blijven juist weg omdat ZIJ van MIJ houden. IK blijf weg van HEN omdat ik van ze houd. We kunnen elkaar NIET zien omdat het virus er, ongezien en niet bekend, zómaar ook  ZIJN! 
Drie is het getal dat mag en kan en zelfs dan nog……
Als echtpaar kunnen we dus naar één iemand toegaan of één iemand ontvangen.
Dat gebeurt heel sporadisch.

Zo als onlangs! Een goede vriendin belde op en vroeg of ze langs kon komen.
Ze kwam en we hadden een paar fijne uren. Dát is brandstof voor mijn welzijn en gelukkig voor het hare ook.
We whatsappen, maar dat is anders! Deze, sporadisch “echte” contacten,  1,5 m van elkaar, zonder knuffelen of zelfs handen schudden, één voor één de hal in, niet langs elkaar lopend, zijn zo waardevol.

Het ontbreken van een horizon is ook iets dat me nu zo zwaar valt (en meerdere mensen met mij heb ik begrepen) Uitkijkend naar een museum-, familie-,vrienden-,theaterbezoek geeft ook vooraf vreugde. Een vakantie, hoogtijdagen (Kerst,Klaas,Paas,Jarig) het  waren in het verleden drukke dagen met voorbereidingen, inkopen, gedoe!
Afgelopen jaar waren het voorbijkabbelende dagen zonder “gedoe”
Natuurlijk maken we er wat van, natuurlijk genieten we van elkaar en maken we sfeer, maar allebei missen we iets, de outside input.

En dan opeens komen er een lichtpuntjes; Mijn lief gaat “ergens” een American football nachtwedstrijd kijken en blijft daar slapen (doet dat al jaren; hamburger,popcorn en de hele nacht samen voor de buis); Het gaat ook dit jaar (mits beide gezond) door!
Een nichtje appt mij: kom jij dan een nachtje bij ons?
Even is er een horizon; we gaan mensen (en wat voor! The best!) zien, even echt contact hebben.
En ook al kan er niet aangeraakt en geknuffeld worden, de blik in de ogen, de lichaamstaal, dát is er dan even allemaal! SAMEN!

Maar het lot grijpt in: er komt slecht weer aan; sneeuw, gladheid, storm!
We wachten de vertrekdag af. Code ROODniet de weg op, als het niet nodig is!
Er ligt een pak sneeuw bij ons; bij onze familie, in een ander deel van Nederland is het zelfs nog erger. Discussie hoeft er niet te zijn. We kunnen NIET gaan.

We zijn teleurgesteld, hadden ons zó verheugd.
Toch zijn we niet verdrietig. Overmacht beslist voor ons, dat kan gebeuren.
Maar de tijd ervóór hadden we “even” een horizon; iets om naar uit te kijken, dát maakte ons blij, dát kan ons niet meer afgenomen worden.
Onze bezoeken gaan een andere keer vast wél door.
Er komt wel wéér een horizon