Een liefdesgeschiedenis.

Dit verhaal speelt zich af in een klein dorp .
Een jongen en een meisje kennen elkaar hun hele leven al als, op 14 en 16 jarige leeftijd de vlam overslaat; ze worden verliefd en gaan, als ze 19 en 21 jaar zijn, samenwonen.
De jongen wil persé géén kinderen, dus die kwamen er niet.

Als zij 36 en hij 38 is zegt hij op een avond tegen haar dat hij verliefd is geworden op een ander.
Hij houd ook nog van haar, zegt hij, maar gaat bij de ander wonen.
Dit zag ze niet aankomen, haar wereld staat in één avond compleet op zijn kop.
Hij vertrekt nog dezelfde avond met een klein koffertje; “De rest komt later wel.”


Ze is een sterke vrouw en doorstaat zijn “bezoekjes” waarbij hij langzaam maar zeker “zijn” spullen uit hun beider huis onttrekt.
Gelukkig is het een huurhuis; heeft zij een goed betaalde baan en kan ze er ook alleen in blijven wonen.
Wat eerst hun beider stek was, wordt langzamerhand háár stek.

Al snel ná die bewuste avond hoort ze dat zijn nieuwe vriendin, die niet echt “nieuw” blijkt te zijn (de verhouding duurde al meer dan een jaar) zwanger is.
Bovenop het verlies van haar jeugdliefde,  bleek deze man, die ze haar hele leven kende, een totale vreemde te zijn; van  “Ik wil beslist geen kinderen” werd het een liefhebbende aanstaande vader!
Ze kwam de klap langzaam te boven, werd “harder” maar niet verbitterd.

Anderhalf jaar later leerde ze een man kennen.
Hij had een huwelijk achter de rug, waarin zijn vrouw hem (maar dan op een ochtend) verteld had dat ze verliefd geworden was op een ander.
Het zoontje van 10 jaar dat ze beiden hadden ging in eerste instantie met de moeder mee.
Later kwam er een regeling: om het weekend kwam het kind een weekend bij hem.

Het gezamenlijk lot schiep een band, tussen deze twee “verlaten“ mensen, maar ze waren allebei super “voorzichtig“
Na een jaar van “samen dingen doen” werd de verhouding inniger en werd er voorzichtig gesproken over samenwonen.

Weer een jaar verder bleek de verhouding zo stabiel dat er samen een huis werd gekocht.
Zij en het zoontje van haar vriend konden goed met elkaar opschieten. Ze werd géén stiefmoeder, maar bleef de vriendin van zijn vader.
Een rol die haar paste; het opvoeden liet ze aan haar vriend over.

Laatst vertelde ze me dat ze al een tijdje getrouwd waren.
Geen groot feest: naar het stadhuis met de zoon en twee goede vrienden.

Tijd heelt soms wonden; niet alle, maar wel veel!



Gevonden geld.

We lopen op een pad door de polder; mijn kleuterzoontje en ik.
Op het pad ligt een tientje.
Geen portemonnee, alleen één tientje.
Ik pak het op.
“Geld, mama? ” vraagt mijn zoontje.
Ik besluit dat dit een heel goed opvoedmomentje kan zijn.
– Ja, dat is geld, dat heeft een mevrouw of een meneer verloren. Zullen wij het naar het politiebureau brengen, dan kan die het teruggeven ? –



Mijn zoontje knikt. Naar een politiebureau, dát lijkt hem wel wat.
We lopen naar huis en pakken de fiets.
Hij achterop, op weg naar het politiebureau.(Dit was nog in de tijd dat een politiebureau OPEN was en je niet ALLES digitaal moest doen)

Er zit een agent aan de balie.
Ik loop er heen en leg het tientje op de balie “Gevonden!”
Ik til meteen mijn zoontje op en zet hem op de balie, kijk de agent doordringend aan zodat hij OOK door gaat krijgen dat dit een OPVOEDmomentje is.
Gelukkig snapt hij het.
“Zo, kleine man, heb jij met jouw mama dit geld gevonden?”
Mijn zoontje raakt niet onder de indruk “Heb jij geen pet?”

De agent knipoogt naar mij “Ja, wil je hem zien?”
Ik ben mijn zoontje kwijt, ik zie het aan zijn opgewonden blik.
De agent maakt een haakje aan de balie open en vat de hand van mijn zoontje “Kom maar mee”
Ik volg.
In een soort garderobe hangen haken met kleding eraan. Een plank erboven, daar liggen de petten op. De agent pakt een pet.
Mijn zoontje is niet gauw tevreden “Zet ‘m ns op? “
De agent wil hem op het hoofd van mijn zoontje zetten, maar dat is de bedoeling niet; De agent moet hem zelf op.
Dan pas, is hij in de ogen van mijn zoon, een  echte AGENT!

Mét pet loopt de agent met ons naar de balie terug.
Hij gaat gewichtig een formulier pakken (zo lang geleden was het) en vraagt aan mijn zoontje zijn naam en adres.
Naam en achternaam gaat nog, daarna moet ik een beetje helpen.
De agent speelt mee en zegt dat hij hoopt dat de rechtmatige eigenaar hier zal komen om zijn geld terug te krijgen.
We verlaten het politiebureau.
Mijn zoontje vertelt tegen iedereen dat hij op het politiebureau geweest is en de agent een pet op had.

Aan dit verhaal dacht ik toen ik onlangs las, dat gevonden, niet geclaimd geld, VAN DE GEMEENTE IS.
Ik heb er nooit over nagedacht wáár gevonden geld blijft als het niet geclaimd wordt
Ik gaf het af op het politiebureau, daarmee was voor mij de kous af.
Nu las ik, dat als een gevonden voorwerp (dus ook geld) een jaar nadat het gevonden is, niet geclaimd is, de vinder het mag houden.
Claimt de vinder het niet, dan gaat het naar de Gemeente.
Ik denk dus dat mijn zoontje en ik, zoveel jaar geleden, ongewild, de gemeente gesponsord hebben.

Nood op het water

We woonden in Loosdrecht  en keken uit op de Loosdrechtse plassen.
Vanaf onze ontbijttafel zagen we een zeilboot omslaan, de zeiler had zijn zeilen vastgezet (nooit doen!) De wind kwam onder de boot, de boot kwam weer recht en “voer” weg, de zeiler crawlend er achteraan. Gelukkig zagen we een motorbootje in de buurt van de drenkeling naar hem toegaan.

Hieraan moest ik denken toen we langs het Gooimeer (onderdeel van de Randmeren) wandelden en langs een KNRM- reddingstation kwamen. Een bemanningslid was de vlag aan het hijsen.
We maakten een praatje.
Ik vroeg hem wat je moet doen als je op het water zit en in nood zit en zijn hulp wil.
Het antwoord was simpel: “112 bellen en naar de kustwacht vragen, dan word je doorverbonden.
Dit station is 24 uur per dag geopend.

Het Gooimeer is op sommige plekken ondiep (je kunt er een eind in lopen) maar, zo vertelt de kustwacht “op andere plekken is het wél 30 meter”.
Ca. 70 keer per jaar rukt deze reddingsbrigade uit.

Men heeft nog vrijwilligers nodig dus als je minimaal 16 jaar en maximaal 45 jaar bent, in goede gezondheid verkeert én binnen een straal van ongeveer 10 minuten rond het reddingstation woont of werkt kun je je aanmelden: www.bijdeknrm.nl


Niet alleen sterven

Een hospice  is een instelling met een huiselijke sfeer die zich in terminale zorg heeft gespecialiseerd. Doel van de hospicezorg is de kwaliteit van leven van terminale patiënten zo goed mogelijk te houden of te krijgen in de laatste periode van het leven.

Ik kwam voor het eerste met hospices in aanraking toen mijn schoonzus terminaal patiënt was en uit het ziekenhuis ontslagen zou worden, maar niet thuis (ze woonde alleen) wilde sterven

Ik was degene die hospices ging bezoeken om te zien of ze daar sterven kon en bracht haar daarvan verslag uit. Het was een moeilijke tocht langs allerlei instellingen. Mijn schoonzus was 53 jaar toen ze was opgegeven en tot het laatst toe bij haar volle verstand. Ze wilde, als de pijn te hevig werd en ze geen kwaliteit van leven meer had, voor euthanasie kiezen.
Dát was het probleem bij de hospices, de meesten waren christelijk en wilden hier niet aan mee werken, zodat  van opname in zo’n instelling geen sprake kon zijn (dit speelde zich eind vorige eeuw af)
Slechts één hospice kon hieraan meewerken, maar het was zo vol dat de enige plek waar ze haar op dat moment konden plaatsen een piepklein kamertje was. Na overleg met mijn schoonzus besloten we dit NIET te doen.*) Dát was mijn ervaring met hospices.

NU las ik een artikel over een  ander soort, heel bijzonder hospice: één voor verwaarloosde en terminaal zieke dieren. Alexis Fleming, gediagnosticeerd met de ziekte van Crohn ( chronische ontstekingsziekte van de darm) had veel pijnen, kon niet werken en zat, naar eigen zeggen veel op internet. Daarop vond ze een site over gedumpte, mishandelde honden met slechte gezondheid, die afgemaakt zouden worden. Dit trof haar zo dat ze een fundraisingsite opzette. Deze werd een enorm succes en uiteindelijk is hieruit haar hospice voor dieren ontstaan; het schijnt het enige hospice voor verwaarloosde en terminaal zieke dieren ter de wereld te zijn.

Ze schreef er ook een boek over: “No life too small”.
Het hospice is in Schotland: in Kirkcudbright, een havenplaats aan de rivier de Dee.

In het artikel over Alexis en haar hospice trof me één alinea zeer.
Alexis vraagt zich, bij het overlijden van elk dier altijd af “Wat precies maakte jou nou jou?”
Ze weet het antwoord niet.

Ik vind het een heel mooie gedachte om, als er iemand gestorven is, je, als nabestaande, af te vragen Wat maakte DIE persoon nou precies DIE persoon?
Een na(her)denken over dié persoon,  over zijn of haar specifieke kenmerken, die onderscheidend waren.
Ik neem deze gedachte mee in mijn verdere leven.



*) Mijn schoonzus heeft gekozen voor euthanasie en mocht uiteindelijk in het ziekenhuis waar ze lag sterven met ons om haar heen. Ze is vredig ingeslapen.


Hogerop

De mens wil immer HOGERop
al is het maar 2 treden.

Het hoogste is voor maar enkelen bereikbaar
maar dat houdt de mens niet tegen

De Alpha staat aan de top,
dáár te komen is veler doel

Het liefst via de rode loper
en de weg naar boven goed zichtbaar

Maar meestal gaat de weg omhoog met bochten,
het “hogere” uit het zicht,
zijn niet alle treden zichtbaar.
maar de mens gaat toch.

De mens wil hogerop
soms met hulpmiddelen
soms via kronkelpaadjes
maar de mens wil…
=

HOGEROP

Vooruitgang?

Een doodlopend straatje met leuke huizen, niet allemaal dezelfde; afwisseling.
Geen stoepen, geen hekjes of schuttingen voor de tuinen, alles open: heggetjes, bomen en struikjes.

Mensen gaan (soms) meer verdienen. Gevolg: er komen meer auto’s.
Kinderen worden groot. Sommigen blijven thuis wonen, halen hun rijbewijs en kopen een autootje
Relaties gaan stuk, wederhelften vertrekken. Er komen nieuwe partners, partners met een eigen auto
Dat zijn dan 2 auto’s op één adres. Gevolg: meer blik op straat.

meer blik


Zonnepanelen raken steeds meer in trek., dan zijn bomen “lastig”, schaduw moet vermeden worden. Gevolg: bomen worden drastisch gesnoeid of omgehakt.

Toen de boom nog bloeide en nadat de boom drastisch werd “ingekort” (de bomeninkorter staat er nog)

Zonnepanelen en auto’s


Een doodlopend straatje met leuke huizen, niet allemaal dezelfde; afwisselingen.
Geen stoepen, geen hekjes of schuttingen voor de tuinen, alles open: heggen en struiken.
De “vooruitgang” : Minder bomen, meer blik, minder dakpannen.
Anders.










Waar gebeurd





Rond 1915 werd er, in een katholiek gezin, een meisje geboren; laten we haar Anneke noemen.




Anneke werd naaister.
Ze werd in 1937 verliefd op een, eveneens katholieke, jongen.
Ze trouwden en kregen 10 kinderen

De pastoor was blij met haar;  zij en haar man zorgden voor 10 nieuwe parochianen

Ze hadden het niet breed maar gelukkig kon Anneke goed naaien, ze naaide de meeste “bovenkleding” voor zichzelf en de kinderen. Daarbij was ze erg creatief met stof, vaak uitgetornde, geschonken kleding.
Haar man was goed voor haar, bracht zijn hele loon naar huis maar had verder niet veel te vertellen; het gezin werd door Anneke financieel én op alle andere wijzen, draaiende gehouden.

Anneke was een sterke, inventieve vrouw die emoties van haar zelf en haar gezin afdeed als “flauwekul”
Zo goed mogelijk overleven daar ging het om in het leven.

Toen er in 1964 een busreisje voor ouders van “goede leerlingen” van de middelbare school werd georganiseerd van het boerendorp in Noord Holland, waar Anneke en haar gezin woonde naar Twente, waar net een Technische Hogeschool (THW) was geopend, die leerlingen “nodig” had, ging Anneke mee en gaf daar ter plekke één van haar zoons als leerling op; de opleiding was GRATIS!
Het ging er bij haar niet om of hij dat zou willen, het ging om een goede toekomst; dát had ze voor ogen met haar jongens. De meisjes zouden wel trouwen.

De bewuste zoon haalde zijn middelbare school en kreeg een treinkaartje naar Enschede.
In die tijd was het daar verplicht om op de campus te wonen, dus hij had meteen onderdak!
Hij werd later inderdaad ingenieur

Vóór de tijd dat die zoon vertrok naar Enschede haalde Anneke haar 4e kind, een dochter (we zullen haar Nel noemen) van school naar huis. Er liepen inmiddels 5 kinderen van onder de 10 en één van elf in huis rond; Anneke had (goedkope) hulp nodig.
Nel waste en sopte, veegde snotneuzen af, kortom was altijd bezig.
Géén complimentjes van ma, het hoorde zo! Wél hoorde ze het als er wat fout ging, dán kreeg Nel de wind van voren.
Nel was, al heel jong, meer een moeder dan een zusje (Zó beschouwen de jongsten haar nog)

Anneke vroeg, toen Nel 17 werd, aan de groenteboer of hij niet een dame wist die een meisje voor huishoudelijk werk nodig had.
Dát wist de groenteboer wel en zo kreeg Nel er een (betaald) werkhuis bij!

Nel had echter haar moeders kracht en doorzettingsvermogen geërfd!
Ze gaf haar toekomst niet in mama’s hand, maar ondernam zelf stappen.
Ze zocht en vond informatie over een avondopleiding;  de Handelsavondschool.
De kosten waren 80 gulden per jaar. Dat geld spaarde ze en ze volgde de opleiding.
Na 3 jaar had ze haar diploma.

Nel kreeg daarna een kantoorbaan en ontmoette een leuke jongen.
Toen haar jongste broertje 16 jaar was trouwde ze met haar vrijer.

Eén van de zussen trouwde niet en bleef bij papa en mama wonen; ze had niet dat sterke, inventieve van haar moeder geërfd, meer het passieve van haar vader; ze vond het “wel goed zo” bij haar ouders thuis.

Anneke vond dat aanvankelijk oké, maar toen deze dochter 36 jaar werd vond ZIJ het tijd dat de dochter uit huis ging. Ze “regelde” een huurflatje in een nabij dorp en gooide haar letterlijk “het nest uit”.
De dochter vond het allemaal wel oké; ze hoefde tenminste zelf geen actie te ondernemen.
Toen haar vader stierf “zorgde” zij min of meer voor haar moeder; ze was er toch al veel.

Anneke werd 92 jaar! Ze was nooit een moeder geweest die haar affectie toonde; voor het naar bed gaan maakte ze met haar vinger een kruisje op het voorhoofd van elk kind, dát was het dan! Geen aai of kus!
Haar liefde “toonde” ze door te zorgen dat haar jongens goede opleidingen kregen, haar meisjes goed gekleed rondliepen en het huishouden draaide.
Dát moest genoeg zijn.


Omgaan met teleurstelling

Teleurstelling: het niet uitkomen van een verwachting, desillusie, deceptie, ontgoocheling;
Ieder mensen krijgt in zijn/ haar leven te maken met teleurstelling, ontgoocheling.
De realiteit van je leven sluit niet altijd aan bij je verwachtingen, dát kun je beter al vroeg in het leven leren.

Laatst hoorde ik een verhaal over een jongetje (5 jaar) die zich heel erg op zijn verjaardagspartijtje verheugde. Ze zouden mét 6 vriendjes naar een speelparadijs gaan.
Een maand van tevoren was het geregeld; elke dag zette hij een kruisje op de kalender, nog 29 nachtjes slapen, nog 28…..

Een dag voor zijn partijtje kregen zijn ouders een app van de basisschool waarop het ventje zat: zijn juf bleek Corona te hebben!
Geen partijtje op zijn feestdag!
Teleurstelling!

Zijn ouders hadden een “ritueel” voor zijn teleurstelling bedacht; hij mocht voor één keer, achter gesloten deuren heel hard het ergste (scheld) woord wat hij kende uitschreeuwen.
Het was even denken voor de 5- jarige, maar hij schreeuwde het anders verboden woord uit: De teleurstelling werd daarmee iets meer “hanteerbaar”!


Geweldig als je ouders hebben die begrijpen dat je iets MOET met je frustratie en je de kans geven die te uiten.
Al volwassen wordend leer je dat (té) hoge verwachtingen je kunnen teleurstellen.
Sommigen sluiten daarom verwachtingen uit, verheugen zich nergens meer op ”Ik zie wel hoe het loopt”
Of je teleurstellingen dán helemaal uit kan sluiten, betwijfel ik, maar wél weet ik dat je dan ook veel mist!

Jezelf verheugen op een etentje, een ontmoeting…….De blijde verwachting die je dan hebt..
Er kán een ontgoocheling op volgen: het etentje, de ontmoeting… ze gaan niet door of vallen tegen.
Jammer.
Maar de voorpret heb je gehad!


Ook zijn er mensen die overal teleurstelling inbouwen ”Ja dat of dat zou leuk zijn, maar…..het kan ook niet doorgaan” Die mensen stellen zich niet helemaal open, houden iets in reserve.
Komt de teleurstelling dan minder hard aan?
Ik betwijfel het, de voorprent is in ieder geval minder

Zelf heb ik als motto :Het is niet wat je overkomt dat je vormt maar hoe je ermee omgaat.
Dat geldt ook voor een teleurstellingen.
Er gaat iets niet door waar ik veel van verwacht had, heel jammer, maar misschien is het geen afstel maar alleen uitstel (zoals bij het verjaarspartijtje van het ventje) of misschien komt er iets  anders op mijn pad dat ook leuk kan zijn, ik probeer altijd VOORUIT te kijken ( vaak lukt het, soms ook niet)

Ik denk dat een “ritueel” bij een teleurstelling heel nuttig kan zijn; niet wegstoppen wat “even” verdriet of boosheid oproept, maar het uiten en dan weer verder naar de toekomst kijken.
Schreeuwen in een tunnel waar een trein overheen dendert of, zoals met de 5 jarige, een goor woord uitroepen kan zeker opluchten.

De 5 jarige kreeg later het partijtje van zijn dromen; het voldeed aan zijn eerdere verwachtingen, hij was superblij.

Als volwassene wéét je dat het “niet altijd goedkomt” maar je weet ook dat er “andere dingen” voor in de plaats komen. Dat het leven niet “perfect” is, dat je niet ALLES hebben kunt maar (desondanks) toch (redelijk) gelukkig kan zijn.



“Het is de natuur”

We hebben nog geen vakantieplannen.
Corona staat het vakantieplannen maken (nog steeds)  in de weg.
Familieleden gaan een weekje (in Nederland) weg en vragen of wij op hun huis en haard willen passen.
In een ander gedeelte van Nederland.
Het klinkt als een “beetje” vakantie.
Change of scenery.

Een huis met een mega grote tuin, een vijver en een kas.
Planten en vijver te verzorgen én 3 katten.

Lezers van mijn blogs weten dat ik geen kattenmens ben.
Katten eten (vijver) vissen (onze huisdieren) én vogeltjes en ze en mollen kikkers (onze “wilde” tuindieren)
Ik wéét dat dat de natuur is, maar ik wil graag de dieren, op het kleine stukje grond op aarde dat wij het onze mogen noemen, beschermen.
Dat kunnen we niet; beschermen.
Katten klimmen over de schutting, kruipen door heggen: ze zijn er, als ZIJ dat WILLEN.
Vandaar mijn aversie tegen katten.

Deze 3 katten (waar we al eerder op hem gepast) zijn binnen leuke beesten met individuele karaktertjes.
Twee van de katten werden door hun kattenmoeder ergens “gedropt”
Bij één, van oorsprong wilde kat, is dat nog duidelijk te merken; hij houdt afstand, is eenzelvig.


Ik ben altijd vroeg wakker. Helemaal in een andere omgeving.
Als ik om half zes mijn blog beneden aan het typen ben ( ná eerst de kattenbeesten gevoerd te hebben!) hoor ik het kattenluikje open en dicht gaan.
Ik zie een kattenbeest binnenkomen mét ………….een vogeltje in de bek.
Ik gruw.


De dader

Dit is het moment waarop ik direct naar huis wil en de boel de boel te laten, maar dat doe ik natuurlijk niet.
Het kattenluikje gaat weer, poes nummer 2 komt binnen, spring op de rug van nummer 1 om zijn prooi af te pakken. Het gaat vlug, een fractie van een seconde en het piepkleine musje fladdert tegen het raam.
Een kat springt.
Gelukkig mis.
Ik grijp het musje, dat tegen het raam fladdert, vóór de twee katten het doen, sla met mijn (goede) been de deur achter me dicht en sta in de hal (alleen, zonder poezenbeesten) met een klein musje in mijn hand.

Ik laat in dat halletje onze beide harten, van de mus en van mezelf, eerst hun normale tempo weer hervinden en probeer dan met één hand de voordeur open te maken. Dat lukt na een paar pogingen.
Twee poezen zitten binnen, wáár is nummer 3?
Ik loop naar een door planten overwoekerd afdakje en wil het musje daarop zetten; het musje denkt er anders over en vliegt zodra mijn hand een beetje opengaat de vrije lucht in.
Gelukkig alles “werkt” zo te zien nog.

Ik loop naar binnen en sluit de voordeur.
Eén kat zit op de vensterbank en snuft tegen het raam waar het vogeltje fladderde; de ander zit onder tafel zijn pootje te likken.
Ik kan  ze “even” niet zien en verdiep me in mijn blog.

Op een tak zingt een lijster.
Ik hoor het kattenluikje weer.
Ik wil die twee dingen NIET combineren.
De katten wél.

8 revisies




Meyer Sluyser

Geboren als Meijer Sluijser (1901/5661)* was een Joods journalist, schrijver en radiocommentator

Ik vond, bij toeval, zijn graf op de Joodse begraafplaats in Bussum, toen ik daar (voor een ander blog) zocht naar het graf van Dirk Witte.

Door het zien van dit graf  met zijn naam erop herinnerde ik me weer de verhalen van mijn ouders over de Tweede Wereldoorlog en dan met name die over Radio Oranje, de stem van Strijdend Nederland.
Elke avond om kwart over 8 zond de European Service van de BBC een radioprogramma uit van de Nederlandse Regering in Ballingschap.
Myer Sluyser was chef van de Radioluisterdienst van de Nederlandse Regering in Londen.

Eerder ( 1929) was Meyer redacteur van het Sociaaldemocratisch dagblad Het Volk.
Hij bestreed alle vormen van dictatuur: het  communisme, het fascisme en, nadat in  Hitler in Duitsland aan de macht kwam (1933), de nazi’s 
Na de Duitse inval wist Meyer en zijn gezin vanuit IJmuiden (15 mei 1940) per schip (Friso) naar Engeland te komen; daar werkte hij onder meer mee aan de programma’s van Radio Oranje.


Koningin Wilhelmina voor Radio Oranje

Vanaf  mei 1943 moesten Nederlanders hun radio inleveren ( de straf als er een radio in een huis gevonden werd was gevangenis- of doodstraf)
Zó dachten de Duitsers te voorkomen dat men luisterde naar de verboden zenders als BBC en Radio Oranje
(Ik las nu dat ongeveer een kwart van alle, toen in Nederland aanwezige radio’s “verdwenen” in de illegaliteit)



Zoals zoveel Nederlanders hadden mijn ouders nog wél een verboden radio in hun bezit, waar ze, zo vertelden ze, toen stiekem naar luisterden.

Toen Meyer, na de oorlog, terugkeerde naar Nederland werd hij een van de oprichters van het sociaaldemocratisch dagblad Het Vrije Volk en bij de VARA had hij onder andere een radio programma :(iedere zaterdagavond) “Commentaar op het Nieuws”
Hij was ook lid van het Hoofdbestuur van de VARA

Zijn stukjes in de krant over het vooroorlogse, alledaags leven in de Amsterdamse Jodenbuurt
(hij was zoon van een Amsterdamse diamantslijper) werden gebundeld en in boekvorm uitgegeven.
Ook schreef hij 2  detectives onder de (schuil) naam Richard Parridon.



Meyer Sluyser stierf op 26 januari 1973 (5733*) in Bussum


*)De joodse jaartelling rekent vanaf het jaar waarin volgens het jodendom de schepping van de wereld heeft plaatsgevonden. Op grond van de Tenach (Hebreeuwse Bijbel) wordt de schepping geacht te hebben plaatsgevonden 3761 jaar voor het begin van de Christelijke jaartelling