A walk in the park

In een parkje met een watertje zijn 2 nesten: een zwanennest met moeder zwaan erop en pa zwaan in de buurt én een meerkoetennest, verlaten omdat ma meerkoet haar kleintjes in het riet het “meerkoetenleven van alledag” aan het leren is.

Wij, wandelende zoogdieren van het soort mensen, kijken vertederd toe naar dit jonge leven.
Andere zoogdieren (poes en hond) en vogels (meeuwen)kijken daar met andere ogen naar de
jonge dieren en eieren; het kan ook VOEDSEL zijn of iets om mee te spelen en om op te jagen (hond)

Aan de oever, tussen de takken, verdekt opgesteld zit een roodwitte poes te loeren. Hij kan niet naar het nest op het eiland zonder een natpak te halen, maar de kleintjes zwemmen dicht langs het riet; het is een kwestie van het juiste moment afwachten.

Om de bocht zijn meeuwen aan het schreeuwen, ze duiken omlaag en halen iets uit het water: nu nog brood! Als ze de bocht omgaan en de kleintjes zien dan………….. lopen die zeker gevaar een lekker hapje te worden.

Pa en Ma zwaan hebben hun nest NIET op een eiland gebouwd, het ligt aan de wal.
Mensen laten hun hond uit in het park. We zien een klein keffertje naar het nest lopen, zijn baas er ver achteraan. Ma zwaan sist én maakt zich groot. Het keffertje schrikt en loopt keffend weg, zijn baas  komt er sjokkend achteraan, geen blik naar het zwanennest.
Door het opstaan van ma zwaan hebben wij 7 zwaneneieren geteld

Wij kijken van een afstandje.
Wat als er een grotere hond aankomt die niet geïmponeerd wordt door de sissende zwaan?
Verlaat ma zwaan dan het nest en zullen de eieren nooit pullen worden?

Een dierentafreel in een parkje; vertederend jongdierenleven, maar tegelijkertijd ook angstig.
Zal ma zwaan de kans krijgen om haar eieren uit te broeden?
Hoeveel jonge meerkoetjes kunnen uit de klauwen van de kat of meeuwen blijven?
Rationele zoogdieren zoals wij mensen kunnen genieten, maar zich ook zorgen maken!

Een wandelingetje in het park is nieta walk in the park” (Eng. Uitdrukking voor “een makkie”) alléén: het zet je ook aan het denken over de vergankelijkheid van het (dieren)leven.

Opgebrand

Onlangs had ik op één dag met 2 personen contact (één in person en één via app) die allebei in een burn-outperiode zaten.
Twee vrouwen van verschillende leeftijden, (zit zo’n 10 jaar tussen ) totaal verschillende karakters maar wel met een paar dingen gemeen; allebei hulpvaardige types, mensen die geen nee-kunnen-zeggen en allebei met een problematisch liefdesleven.

Ik denk dat er 3 (belangrijke) pijlers zijn waar je leven op rust: gezondheid, relatie en werk.
Als het met één van de drie slecht gaat kun je als mens meestal wel overeind blijven als het met 2 niet goed gaat ligt een “uitval” op de loer.

Bij beide dames was het de arbeidssituatie waardoor ze “braken” terwijl misschien dát niet de oorzaak van het overspannen worden was!

Ook ik had ooit een burn-out, ik kwam toen door deze diagnose bij een arbo-arts terecht; hij heeft me geweldig goed geholpen en me weer op het rechte spoor gekregen.
Hij zei in ons eerste gesprek dat er 6 maanden tot een jaar voor een burn-out staan en dat ik eerst RUST moet nemen; niets doen alleen slapen, daarna met een psycholoog aan het werk om de oorzaak aan te pakken

Ik heb kort absolute rust genomen, maar wel meteen een afspraak met een psycholoog gemaakt.
Daar werden me verschillende dingen over mezelf duidelijk zoals geen nee kunnen zeggen, over grenzen heen gaan en door iedereen leuk gevonden willen worden
Ik kreeg handvaten, géén antwoorden ( tip: nooit meteen antwoord geven bij vragen als “wil jij….? altijd minstens een dag bedenktijd! Feit: nóóit wordt iemand door IEDEREEN leuk gevonden, streef er dus ook niet naar! Overdenking: Is de huidige baan wel iets voor mij?)

Na 2 maanden en een vakantie (bedenktijd) ging ik weer terug naar mijn werk: om op te zeggen! Deze baan was NIET goed voor me was ik tot de conclusie gekomen. Gesprek directeur was moeizaam! Daarop belde ik de Arbo-arts, die greep in en belde met mijn directeur.
Baas werd daarop coulant (poeslief): mijn opzegtermijn werd me kwijt gescholden. Ik hoefde niet meer terug; een maand salaris zonder werk! (Arbo arts had directeur er vermoedelijk op gewezen dat een werkneemster ziek maanden thuis duurder was dan een werkneemster die ZELF ontslag neemt!)
Na 3 weken had ik een andere baan! (waar ik beter tot mijn recht kwam) Nooit meer zo’n overspannen, gestreste, inactieve, donkere periode meegemaakt.

De psycholoog was top; van haar kreeg ik ook een gouden tip, die ik ook aan de 2 kennisjes heb doorgegeven. Een Burn-out is als een batterij die LEEG is, zoek wat jou energie GEEFT en houd je daar mee bezig. Pas als de batterij opgeladen is, kun je weer dingen doen die energie kosten.

Het ene kennisje had daar geen oren naar, ze wilde snel verder, ze was duidelijk niet “klaar” voor hulp, van een psycholoog, vrienden of wie dan ook. Haar lichaam gaf haar signalen dat pijler 3  aan het omvallen was. Ik houd mijn hart voor haar vast!

Het andere kennisje had ook al hulp van een psycholoog die haar ook de metafoor van de batterij had verteld. Zij (her)ontdekte haar energiegever: sport!
Ze sportte nu wat meer en merkte dat ze er misschien wel lichamelijk moe van werd, maar dat ze er ook blij van werd. Dát geeft haar energie. Ze is soms ’s morgens weer blij als ze opstaat!
De wolken zijn voor haar langzaam aan het wegtrekken.
Ik ben blij voor haar!

Een eigen, zelfgeschapen wereldje

Hai: “Het leven kan je buigen, breken zelfs, maar je kunt wel heer en meester zijn over een klein stukje eigen wereld. Dát stukje wereld kun je zelf scheppen: een bonsai in een pot, met stenen, grind, aarde.”

Ieder morgen was Hai, zo vertelde hij me ooit, even bezig met zijn  eigen wereld
Letterlijk: hij trimde zijn bonsai, harkte het grind, herschikte de rotsen. Dit was de wereld, die hij wél zelf in de hand had. Ná dat ochtend meditatief moment kon hij aan wat de Hogere Macht voor hem die dag in petto had.

Ik vond dit bijzonder en was vast van plan thuis ook zoiets te maken. Hai zei me dat ik dan “even” langs de zee moest lopen en daar een bijzondere rots moest uitzoeken. Ik vertelde hem dat Nederland zandstranden heeft en geen rotsen.
Dáár kon hij zich niets bij voorstellen: geen rotsen en stenen aan de zee!

Mijn lief heeft, na onze Vietnamreis, thuis jaren een bonsai verzorgd (en nog) gewoon in een pot, zonder verdere “franje”

Ik ben begonnen met een blauwe pot, maar alles wat ik er inzette vond ik zo “gemaakt” een té gearrangeerd wereldje, het paste niet bij mij!
Uiteindelijk heb ik, in de natuur gevonden “schatten” zoals schelpen, vreemde gevormde stukjes hout, (bekertjes) mos en zeepokken in de pot gedaan en het verder aan de natuur overgelaten.. Zo nu en dan kwam er een “natuurvondst” bij. Ik keek er wel vaak naar, maar (her)schikte niet!
Kennelijk had ik het iedere dag bezig zijn met zo’n “eigen wereldje” niet nodig

Er kwam door de wind? een vogel? een zaadje in de pot van wat later een boompje werd. Langzamerhand werd de pot, zonder mijn verdere inmenging, steeds meer zoals ik ooit hoopte dat het zou worden: een wereldje op zich, maar er ontbrak nog iets aan!

Ooit waren we (weer) in Engeland bij mijn schoonzus.
We liepen, samen met haar, in haar tuin. Ergens stond een porseleinen, oosters beeldje met een gebroken zonnehoed op zijn rug. Toen ze merkte dat ik het zag pakte ze het snel op “In the trash can”. Ik vroeg of ik het mocht hebben. Dat vond ze vreemd, ze houdt zelf niet van iets dat ook maar een beetje beschadigd is.
Ik kreeg het wel mee.

Zo had ik, jaren na Hai’s verhaal, toch mijn eigen wereldje in een blauwe pot, in de tuin naast de vijver. De Oosterse man heeft een stokje in zijn hand gekregen (ook hij is meditatief bezig ) er is een glazen schaaltje als” vijver” bij gekomen.
Vaak baden daar musjes in, dat mag van mij!

Ik ben niet elke morgen met “mijn kleine Oosterse wereldje” bezig.
Hai’s echte wereld is niet te vergelijken met de mijne, mijn “wereldje in een pot” hoeft voor mij niet te vervullen want Hai’s wereldje voor hem doet.
Af en toe haal ik een blaadje uit de pot en vul ik het water bij, nooit zonder aan HAI te denken.

Hai en zoon

In de vorige eeuw leefde er in een ver, communistisch, land een arm gezin.
De vader was leraar, een staatsberoep dat weinig betaalde, er waren dagen dat hij en zijn gezin alleen van bananen leefden.
Ouders van zijn leerlingen (vaak boeren)  gaven hem soms eetbare waar, zodat het gezin kon overleven.

De vader van het gezin had een droom; zijn kinderen zouden het beter krijgen, ze zouden studeren en een goede baan krijgen.
Toen het land “iets meer” toerisme toeliet maakte hij een carriereswitch: hij werd chauffeur, leerde zichzelf Engels en werd, na 3 jaar, gids bij een reisorganisatie.
Het salaris was meer dan zijn lerarensalaris én er waren meer financiële “mogelijkheden”  
Als hij onderweg was kreeg hij een vergoeding; als hij dat slim uitkiende kon hij daar geld aan overhouden voor zijn gezin, ook was er de mogelijkheid van fooien.

WIJ

Mijn moeder, een niet rijke, spaarzame, lieve vrouw overleed toen ik al volwassen was.
Zij wilde graag dat ik met haar erfenis iets zou doen, wat ik altijd al wilde, maar geen geld voor had.
Wát? Dat werd me, een jaar na haar dood duidelijk: een reis naar het verre land, waarmee ik me altijd geestelijk “verbonden” had gevoeld: Vietnam!
Niet een reis met andere toeristen, maar samen met mijn lief én een gids; een bijzondere reis waarin meer persoonlijke wendingen mogelijk zouden zijn.
Dát werd de bestemming van mijn moeders nalatenschap.

En zo kwamen wij de wereld van Hai binnen

HAI en WIJ

We trokken Vietnam door, elke regio met een andere gids.
Eén van die gidsen was Hai. Een bijzondere man, die ons niet alleen bezienswaardigheden liet zien, maar ons ook de landsaard van het volk toonde  en met ons “de diepte inging”
Een  man waarmee we heel bijzondere, intense momenten hebben beleefd.

Hij, vaak rondtrekkend, van huis en haard, vertelde ons ook over zijn leven, zijn dromen.
Toen het moment van afscheid nemen kwam hadden we alle drie tranen in onze ogen; wetend dat we elkaar nooit meer zouden zien en een heel bijzondere band hadden opgebouwd.

We hadden gesproken over zijn droom en bij ons zelf bedacht hoe we (een deel daarvan) zouden kunnen verwezenlijken. Eenmaal thuis hebben we één en ander uitgezocht en konden, na een briefwisseling laten weten dat we de vervolgopleiding van zijn zoon zouden kunnen betalen.

Dat geld bij hem krijgen was nog wel een “dingetje” want hij had geen bankrekening en ook geen paspoort om zich te legitimeren (het was voordat de wereld ging digitaliseren.
De Western Union Bank gaf een mogelijkheid. Wij maakten per kwartaal het bedrag voor de opleiding van zijn zoon over naar een WUbank in zijn regio. Hai gaf ons én de bank “geheime gegevens” (de meisjesnaam van zijn moeder en de geboortedatum van zijn zoon) die golden als zijn “identiteitsbewijs”
Zo kon hij het geld ophalen én (contant) aan de vervolgopleiding van zijn zoon betalen.

De ZOON

Dit verhaal zou moeten eindigen met een glansrijke carrière voor de zoon en misschien is dat ook wel zo, alleen weten wij het niet.
De zoon maakte de opleiding niet af. Uiteindelijk was het hun cultuur die de zoon deed stoppen. In Vietnam is het een gebruik dat men, na het overlijden van een gezinslid, 2 jaar niet trouwt!
De zoon had, al jong, een vriendinnetje waarmee hij later wilde trouwen (ik ken dat; mijn lief en ik waren ook heel jong toen we wisten dat we samen verder wilden)
Toen de moeder van zijn vader, zijn oma, ernstig ziek werd en het er naar uitzag dat zij niet lang meer te leven had, wilde de zoon dat zijn oma nog bij zijn huwelijk kon zijn (én dat hij niet nog eens 2 jaar met trouwen hoefde te wachten!)

Er moest wel eten op de plank komen voor hem en zijn toekomstige vrouw, dus hij ging van de vervolgopleiding af, vond een baan en na een paar maanden trouwden ze.
Die paar maanden was de tijd dat we niets hoorden!

Vlak voor we het nieuwe schooltermijn zouden betalen kregen we de brief met uitleg.
De schaamte droop van het papier af; hij had ons in de steek gelaten, hij had dit moeten voorkomen vóór ons! Hij vond het heel erg, voor ons.
Dat vonden wij niet; hij had zich, veel belangrijker in onze ogen, een liefhebbende vader getoond.
Hai schaamde zich tegenover ons zo, dat hij het contact heeft verbroken, ondanks onze smeekbedes dat NIET te doen; hij vond het té erg (hij behoort tot een trots, vaak vernederd volk met hoge standaards)
We kregen geen antwoord op onze brieven meer; in zijn beleving had hij ons iets aangedaan dat onvergeeflijk was.

Het was het eind van een bijzondere vriendschap, maar zijn verhalen, zijn gesprekken blijven voor altijd in ons hart (en zijn brieven in mijn bureau)

EPILOOG


Natuurlijk vragen we ons af en toe wel af hoe het nu met de zoon is!
Heeft hij een “beter” leven dan zijn vader gekregen?
Zijn vader was financieel niet rijk, maar wel een rijk gevoelsmens, die behalve ons, vast veel meer mensen veel van zijn levenswijsheid geschonken heeft.

(wordt vervolgd)









Moeders.


Aan je moeder heb je het te danken dat je je babytijd hebt overleefd!
Dát is de reden waarom we ons hechten aan onze moeder, zonder hechting zouden we het leven, als kwetsbaar kind, niet kunnen overleven.


We  hebben een betrouwbaar persoon nodig die er voor ons is om veiligheid te bieden. Meestal is die persoon, vanuit het biologisch standpunt gezien, een moeder.

Het heeft mij altijd verbaasd dat vroeger (misschien in sommige landen nog wel) men kinderen te vondeling legde bij een klooster. Waarom zou je, als je NIET voor je eigen kind kan zorgen, het weggeven aan vrouwen die nooit een kind hebben gekregen?
[ ik snap het Christelijk element van goed-zijn-voor een ander wel, maar toch]

Ik ken vele soorten moeders. Natuurlijk was de eerste mijn eigen moeder.
Een vrouw die trouwde met een man die al drie kinderen had en wiens eerste vrouw overleden was.
Door haar huwelijk werd ze “meteen” moeder; geen 3x 9 maanden een kind dragen, maar van de een op de andere dag de titel “Moeke” (ze was een Belgische)

Twee jaar na haar huwelijk raakte ze zelf zwanger en weer 9 maanden later kwam ik.

(veel) Later trouwde ik met een jongen van gescheiden ouders; ik kreeg er door mijn huwelijk met hem 2 schoonmoeders bij. Een groter verschil tussen 2 vrouwen is niet voor te stellen.
De ene vrouw had heel jong haar eerste kind gekregen en daarna nog 2.
De andere vrouw was op latere leeftijd met een man met 3 kinderen getrouwd en had zelf nooit kinderen gekregen. Ze was goed voor ze, maar er was weinig warmte.

Zelf werd ik moeder op mijn 27 ste en heel bewust in mijn 34 ste levensjaar voor de tweede keer.
Ik heb allebei de keren enorm van zowel het moederworden als het moederzijn genoten. Wel was het onbezorgde leven, zo dat er ooit was, wel voorbij op het moment dat de eerste baby eruit floepte: Zoveel verantwoordelijkheid vanaf dat moment is vooraf niet voor te stellen!
Het liefhebben van én het ongerust maken over, houdt na het kinderen krijgen nooit meer op

Dan kende ik ook nog een “oude moeders”: oma’s!
Mijn man’s oma was getrouwd met een man met 2 kinderen en had daarna samen met mijn man’s opa nog een kind gekregen. Helaas was dat kindje op 9 jarige leeftijd overleden.(Toen ik haar leerde kennen was dat kindje dus al heel lang dood)
Ze sprak een enkele keer over hem en voegde er eens aan toe; “Ik was ook een moeder, hoor”
Achter die opmerking voelde ik zoveel verdriet schuil gaan. Alsof iemand zou denken dat als je kind overleed je géén moeder meer zou zijn!! (los nog van de 2 kinderen van haar man die ze opgevoed had) Een moeder blijf je altijd!

Nog wat dierenmoederweetjes tot besluit:
* Een varken is iets minder dan 4 maanden zwanger;
* Een olifant 18 tot 22 maanden;
* Een schaap bijna 5 maanden;
* Een paard tussen de 11 tot 12 maanden en
* Een koe moet ongeveer net zo lang op haar kalf wachten als een mens op haar baby; 9 maanden.



Het  Jiddisch

Jiddisch is een mengtaal van het Hebreeuws en het Duits.*)
Toen Asjkenazische Joden zich, in de zeventiende eeuw, gevlucht voor het geweld van de Dertig Jarige Oorlog (1618-1648), in Amsterdam vestigden kwam de taal Jiddisch met hen mee naar Amsterdam.  
(Asjkenaz is het Hebreeuwse woord voor Duitsland)

Amsterdam had, rond 1700,  de grootste (ca.10.000) joodse gemeenschap in West-Europa.Veel Jiddische woorden werden in onze taal overgenomen

Misschien om dat mijn vader, zijn vader, zijn vader etc. allen in Amsterdam geboren zijn,  zijn er ook in ons gezin behoorlijk wat Jiddische woorden blijven hangen.
Woorden als mesjogge (gestoord) stennis (ruzie, herrie) goochem (slim) geteisem of gajes  (tuig) achenebbisj (armoedig) mazzel (geluk) en pieremachochel (wankel voertuig) zijn woorden die ook ik, nog regelmatig gebruik.

Het woord dat ik onlangs in het spelletje wordfeud tegenkwam “golem” klonk mij wel Jiddisch in de oren, maar ik kende de betekenis niet.
Dát woord heb ik maar eens nagezocht. Het blijkt afgeleid te zijn van het Hebreeuwse woord gelem dat ruw materiaal of grondstof betekent.

Aan de Golem zit een legende vast: het was een mensfiguur gemaakt van klei en tot leven gewekt (rond het jaar 1580 ) door een Tsjechische rabbijn uit Praag (rabbijn Löw) De rabbijn had medelijden met de arme, hardwerkende mensen in Praag. Hij las in de Kabbala (Joods mystiek boek) dat je een golem (dienaar) kon maken van rivierklei van de Moldau (langste rivier van Tsjechië)
Hij ging met helpers naar de Moldau en kleide een figuur en sprak de spreuk, zoals in de Kabbala had gestaan uit om het kleifiguur tot leven te wekken.
De kleifiguur kwam inderdaad tot leven en hielp de arme mensen.

Ik las ook de afloop van de legende van de golem.
Naarmate de tijd vorderde wilde de Golem niet alleen maar helpen, maar ook gevoel krijgen: mens worden. Dát ging niet waarop hij zich tegen de mensen keerde en met stenen ging gooien.
De mensen probeerde hem te vangen, dat lukte niet.
De golem vluchtte en niemand heeft ooit meer van hem gehoord.

Een bijzonder verhaal, waarvan ik me afvraag of de woordspeler die het gebruikte, het kende.
Ik en nu ook, zijn weer een Jiddisch woord rijker; een woord met een verhaal erachter.

Joodse grafzerk van hout met Hebreeuwse letters

*) Zowel het Hebreeuws als het  Jiddisch wordt van rechts naar links geschreven.
De naam Jiddisch is afgeleid van Middelhoogduits Jüd

Het rioolmonster gewekt

We kregen een brief van de Gemeente: Aan de bewoners van dit pand…..
Niet persoonlijk dus! De hele wijk krijgt zo’n brief.
Het ging erom dat een rioolreinigingsbedrijf  “bij u in de straat gaat reinigen en inspecteren en wel in de periode van….” En dan volgt een periode van 2 dagen, van 7.30 tot 16.30 uur.

De vuilwaterriolen worden, onder hoge druk,  schoongespoten. Er kan daarbij lucht ontsnappen via waterstoten in de rioolafvoeren richting de woningen.
NU heeft de brief mijn aandacht.
Er komt een advies!

Als de reinigingswagens in de buurt zijn moeten burgers de deksels van hun toiletpotten GOED dicht doen (eventueel met een doek ertussen)
Dat “eventueel” nemen wij serieus: we gaan er een dweil tussen doen!
De afvoerpunten in de woning moeten dicht!
Wij hebben één afvoerpunt waarbij we geen gootsteenstopper hebben.
Nooit gehad? Zoekgeraakt?
Geen idee.
Mijn vindingrijke lief komt met een ronde steen die hij op het afvoerpunt legt. Probleem opgelost (hopen we) Er kan vuilwater omhoog komen.
Bah!

’s Avonds leggen we de dweilen klaar. Wij zijn voorbereid.
Dag één, gaat dit voor onze straat DE dag worden?
Vóór half 8 liggen de dweilen op hun plek.
Het is toch anders naar de toiletgaan als je weet dat het elk ogenblik NIET MEER kan.
Dweiltje eraf, dweiltje erop.

De regen komt met bakken uit de hemel.
Ik wacht even met boodschappen doen.
Aan de achterkant van ons huis staat dan al een inspectiewagentje, er loopt een man met een regenpak en drijfnatte haartjes rond.


Dan wordt het  “even” droog.
Als ik de bocht van onze straat om fiets staan er 2 grote rioolreinigingswagens om een put heen, één ervan heeft zijn slurf vlakbij de put, maar er niet in. Alle regenpakmannen zitten in hun auto’s, alleen de inspecteur loopt rond. Dit is nog niet “onze put”!
Als ik terugkom van boodschappen doen zijn ze daar nog bezig.
Ik kan dus nog (snel even?) naar het toilet. Ook al moet ik niet, ik ga toch.
Omdat het kan.( in de brief staat niet hoe lang zij werk hebben! Ik kan het snel)

Om kwart over één rijden 2 grote gele rioolzuig/spuitwagens onze doodlopende straat in; het groene inspectiewagentje volgt. Helaas heeft de overbuurjongen zijn auto OP de put gezet (stond in de brief of je dat niét wilde doen) Hij heeft zeker de putdeksel niet gezien of de brief niet!
Zijn pa komt naar buiten en zet de auto, op verzoek, daar weg.
Een regenpakman met haak opent de put.

Ik hoef dit verder niet te zien en ga wat anders doen. Ik denk dan dat ik ze wel weg zal horen rijden, zodat de dweilen weer weg kunnen, de steen naar de tuin en wij weer naar het toilet kunnen wanneer en hoelang we willen.

Dan klinkt er plotseling een onderaards gerommel, een dof gorgelend hard geluid, alsof er een monster onder ons huis ontwaakt.
Voorzichtig open ik de toiletdeur. Als er een soort Loch Nessmonster uit onze toilet opduikt, wil ik het liever NU weten!
Niks te zien, maar de stank die uit het kleinste kamertje komt, doet me wensen dat ik de deur had dicht gelaten!

Even over tweeën rijden alle gele en groene rioolwagens weg.
Volgens de brief kunnen we het beste op dit moment de zwanenhalzen vol water laten lopen en de toiletten doortrekken.
Dát gaan we doen.
De rust is weer gekeerd; het rioolmonster slaapt weer


en wij kunnen weer

Het verleden herleeft

Mijn broer en ik verschilden veel in jaren. Toen ik nog jong was vertrok hij naar Engeland om daar te wonen, te werken en uiteindelijk ook te trouwen.

Mijn broer kon moeilijk met emoties omgaan. Hij sprak zelden over wát en hóe hij zich voelde.
Eén keer liet hij zijn schild zakken en vertelde hij me over een maat die met hem in een ver land was om daar de orde te handhaven Die maat was daar op een mijn gestapt.
Die gebeurtenis hem had doen beseffen dat je moest leven of iedere dag je laatste kon zijn. Je moest genieten in het leven!

En dat kon mijn broer; GENIETEN. Als hij in Nederland was, op zakenreis of op familiebezoek, was hij de sprankelende persoonlijkheid die ALLES uit het leven haalde!

Hij en ik hadden een vast ritueel als hij in Nederland was. Samen naar het centrum van het dorp waar we beiden geboren zijn.


We hadden allebei een hekel aan winkelen, maar etalages kijken vonden we wél leuk. Bovendien moest hij altijd IETS meenemen voor zijn vriendin van dat moment en zijn secretaresse
In de praktijk kwam dat er op neer dat we een parfumerie instapte, hij luchtjes uitzocht voor de betreffende dames en die flesjes dan mooi liet inpakken.
Daarna was de weg vrij om samen op een terrasje te zitten en koffie te bestellen mét dubbel slagroom. Daarbij konden we dan bijpraten!


Mijn broer was gul, alles wat ik zag en mooi vond kon ik van hem krijgen.
Ik had mezelf al jong aangeleerd dat ik in zijn bijzijn NIETS hoor- of zichtbaar mooi zou vinden.

Op één van zijn bezoeken waren we samen weer in zo’n chique parfumeriewinkel, liet hij (dure) flesjes inpakken terwijl ik wat rondkeek. Onder glas zag ik een beeld van een armbandje liggen.
Ik voelde mijn broer achter me komen staan en dacht het bekende “Wil je dat hebben?” te gaan horen. Maar die zin kwam niet.
Hij volgde mijn blik keek naar de handjes en zei “jij en ik”
Een weliswaar korte, maar voor zijn doen, emotioneel geladen opmerking.
Dié opmerking maakte dat ik deze keer wel “ja” zei toen hij vroeg of hij het me cadeau mocht geven.
Ik droeg het heel lang iedere dag en nacht.

Totdat, het goud(kleurige) eraf ging, raar vlekkerig werd. Het armbandje ging een tijdje in een sierraadkistje.
Later wilde ik het graag weer aan, dus verfde ik het vlekkerige goud zilverkleurig. Het knapte  er niet van op (in tegendeel)
Het ging weer in een kistje en kwam er niet meer uit, totdat….

Lockdown!
Veel binnen, veel tijd, laden en kastjes opruimend kwam ik het sieraad met de handjes weer tegen: tranen rolden uit mijn ogen, mijn broer is inmiddels overleden, maar ik hoor zijn stem weer: “jij en ik”
Ik wil het armbandje weer dragen, maar dan in volle glorie.

Onlangs ben ik naar een edelsmid gegaan*).
Ze heeft haar werkplaats in een prachtig oud gebouw, een, in ateliers en expositieruimte omgebouwde krachtcentrale (met café-restaurantfaciliteit.**)

Ze lachte me niet uit om het simpele armbandje, ze ging kijken of het te vergulden was en zo opgeknapt kon worden zodat het weer gedragen kan worden.

Onlangs kreeg ik een mail dat het klaar was.
In haar atelier en prachtige expositieruimte kreeg ik het “herstelde” armbandje weer terug.
Ik ben er zó blij mee en draag het weer.
Niet meer ’s nachts, niet meer onder de douche. Ik ben er nu een stuk zuiniger op!

*) Edelsmid Natalie Hoogeveen -https://nataliehoogeveen.jimdo.com/
**)https://caferestaurantdekrachtcentrale.nl/

Veranderingen

Soms vinden er in een mensenleven grote veranderingen plaats.
Veranderingen die men niet zelf in de hand heeft:
Ontslag en geen werk vinden (voor jouw leeftijdscategorie of jouw expertise); partner of kind wordt ernstig ziek; je moet gedwongen verhuizen of er komt iemand bij je inwonen waar je voor zorgen moet. Heftig om daarmee te moeten dealen.
Het komt op je pad.

Er zijn ook veranderingen die je WEL zelf in de hand hebt en die het leven zoals het eerst was, totaal veranderen.

Ik ken een paar mensen die hun leven een andere wending hebben gegeven: moedige mensen, die weliswaar de verandering ZELF in gang hebben gezet maar zich daardoor ook (voor een groot deel) op onbekend terrein begaven.

Twee vrijgezellen die na vele jaren “latten” besloten de stap te wagen en te gaan samenwonen.
Als je meer dan 40 alleen hebt gewoond, je eigen plekje heb gemaakt dan is het heel wat om dát op te geven en in plaats van een individu ook echt, dag en nacht, 365 dagen van het jaar een stel te worden.
Ze kochten een huis samen; een bijzonder huis, waarin zich een “samen” bevond, maar ook een terugtrekruimte voor beiden.
Het was een stap in het onbekende die (heel) goed uitpakte.

Een stel die hun hele leven samen (samenwonend én getrouwd) in de op 2 na grootste stad van Nederland woonden, gingen beiden een baan én woning zoeken op het platteland.
Minder banen in hun nieuwe woongebied; het ging niet van een leien dakje; allebei moesten ze “water bij de wijn doen” op banengebied.
Hun huis in de stad was “zo” verkocht, hun nieuwe huis kwam op bijzondere wijze tot ze.
Ze wonen en werken in hun nieuwe omgeving, waar het zó anders is dan in de stad.
De ruimte, de stilte, het tempo, het werk, ALLES is anders; het bevalt!

Een getrouwde vrouw die na jaren in het supermarktwezen gezeten te hebben en opgeklommen tot assistent manager “iets” anders wil, gaat haar Vrachtauto rijbewijs C met code 95 halen.
Er zijn veel vrachtwagenchauffeurs nodig en nog vóór ze alle benodigde certificaten gehaald heeft, kan ze al een baan als vrachtwagenchauffeur krijgen, die ze aanneemt zodra ze alle benodigde papieren heeft.
Ze is nog niet bij haar nieuwe baan begonnen, dus hoe het haar bevalt weten we nog niet, maar moedig is het, zo’n carrière switch.

Het bijzondere van deze gevallen vind ik, is dat de mensen niet ongelukkig waren in hun “eerdere” leven; het was geen noodzaak. Ergens hadden ze het gevoel dat het ook anders kon, durfden ze de uitdaging aan te gaan en zich in het “onbekende” te storten.
Bijzonder moedige mensen!



Woongenot

Bovenstaande is maar al te waar.
Onderstaand 3 korte verhalen die het illustreren.

Een stel  60+ woont in een klein lintdorpje (zonder kern), landelijke omgeving,  in een twee-onder-één kapwoning.
De (stokoude) naaste buurvrouw sterft en het huis komt te koop te staan.
Het huis wordt snel verkocht en een flink tijd wordt er verbouwd.
Eerst wonen de nieuwe buren er nog niet en gaat de verbouwing met veel herrie (en tot laat) gepaard.
Na 3 en een halve maand komen de nieuwe mensen erin. Ze hebben 2 kinderen en in de grote tuin staat een trampoline. De kinderen schreeuwen en gillen op de trampoline en in de tuin wordt nog regelmatig gezaagd en gehamerd
Na een dik halfjaar trekt het stel het niet meer; hun rustige huis met grote tuin in landelijke omgeving is één bonk constante herrie en onrust geworden. Ze zetten hun huis te koop

Een jong stel rond de 25 betrekt een leuke portiekwoning in grote stad. Ze werken allebei en hebben het er naar hun zin. Ze wonen op de onderste verdieping en hebben een tuin. Er zijn nog 2 lagen boven ze.
De lange kamer is 11 meter plus (de keuken is apart)Heel veel ruimte voor 2 mensen.
Dan komen boven nieuwe mensen wonen. Ze hebben 2 kleine kinderen; jongetjes.
Na anderhalf  jaar “ontdekt” de oudste voetbal. Hij rent over de parketvloer met een bal; het geluid klinkt erg door. Het jonge stel gaat 2x naar boven en zegt dat het rennen op het parket wel erg veel lawaai maakt; Er verandert na hun bezoek NIETS. Nou ja: vanaf die tijd is de herrie niet alleen rennende/stampende voeten maar ook gegil van ma dat ze moeten stoppen. Iets dat de kids NIET doen)
Op den duur wordt het iets minder, de voetballende oudste jongen gaat naar school en het gebonk is “alleen nog maar s morgens vroeg en na vieren Dan ontdekt de jongste spruit ook de sport voetbal en zijn er overdag zijn rennende voetjes en ‘s ochtends en ’s avonds twee paar rennende, bonkende en schreeuwende kinderen. Het woongenot van het onder hen wonende stel zakt enorm terug, zeker nu er geen eind aan lijkt te komen!
Het stel verhuist

Een stel van achter in de 30, allebei qua werk niet gebonden aan een regio, verkoopt hun huis en gaan in een piepklein dorpje in de Achterhoek  wonen. Ze settelen zich eerst en gaan dan plannen  maken om het huis naar hun smaak te verbouwen.
Drie maanden na de verhuizing, ze hebben net een aannemer gevonden om het nieuwe huis hun droomhuis te maken, komen er nieuwe buren direct naast hen wonen. De radio staat de hele dag (hard) aan.
Na een tijdje, de verhuizing  van de “nieuwe ”is dan al ruim achter de rug, gaan ze vragen de radio wat zachter kan. Het antwoord: Hij staat niet hard!
Het is 3 maanden verder als het stel wéét; dit gaat NIET veranderen!
Het stel is nu aan het rondkijken voor een ander huis; ze hebben een ander soort deal met de aannemer gesloten: het huis wordt klaar gemaakt voor de verkoop. HUN droomhuis moet elders komen.



Drie voorbeelden van mensen die hun woongenot zagen verminderen doordat er andere mensen naast hen kwamen wonen, waar NIET mee tot overeenstemming kon worden gekomen.
Twee hadden geen contact met hun “oude” buren, maar het ging prima, totdat…………….
Het andere stel had een lieve oude buurvrouw, waarvoor ze wel eens een boodschapje deden .
Ze stierf en er kwam een gezin voor in de plaats.

Wat een overeenkomst was bij alle 3 de gevallen was dat er met de “nieuwen” niet te praten viel.
Ik vraag me dan altijd af hoe dié mensen als buren waren in hun vorige huis?

Dit soort gevallen leert anderen hun buren te waarderen, of het nu “bijna” vrienden zijn, of dat er alleen een knikje bij het elkaar toevallig zien is.

In Nederland wonen 17.44 miljoen mensen dicht op elkaar : gemiddeld 814 personen per vierkante kilometer, in de Randstad zelfs  ca.1.000 inwoners per vierkante kilometer


Randstad
Het zou fijn zijn als we allemaal wat  meer rekening met elkaar zouden houden.