BLOED, zweet en tranen

De dichter G.A.Bredero (1585-1618) schreef in 1622 al over “Bloed zweet en tranen”
De uitdrukking die we heden ten dage nog gebruiken als we  ons enorme inspanningen moeten getroosten om “iets” te bereiken

Bloed

Bloed is een vloeistof, op basis van water, die in het lichaam van mensen en dieren circuleert voor de verdeling van voedingsstoffen en voor de afvoer van overtollige stoffen van de stofwisseling.
Bloed bestaat uit rode bloedlichaampjes (die zorgen voor de rode kleur van het bloed) witte bloedlichaampjes en bloedplaatjes die in een vloeistof drijven. Die vloeistof heet het bloedplasma.

Rode bloedcellen zijn bloedcellen die, dankzij het hoofdbestanddeel transporteiwit ( hemoglobine) via het bloed zorgen voor het transport van zuurstof en koolstofdioxide, tussen de longen en de andere weefsels in het lichaam.

Bloed vervoert en levert voedsel, zuurstof en andere essentiële stoffen aan lichaamscellen.
Het voert afvalstoffen af, die bij de verbranding van voedingstoffen in de cellen vrijkomen.
Bloed helpt het lichaam beschermen tegen ziekten.
Bloed verdeelt de warmte over het lichaam en houdt de lichaamstemperatuur constant op om en nabij de 37 graden Celsius.

Gemiddeld heeft een mens 25.000 miljard rode bloedcellen. Deze cellen zijn bepalen welke bloedgroep men heeft. Sinds 1901 (ontdekking Karl Landsteiner, arts/patholoog ) weten we dat er bloedgroepen zijn: iedereen heeft één van de volgende bloedgroepen: A, B, O of AB. Die bloedgroep  wordt van ouders geërfd : de vader én  de moeder geven ieder één kopie van het bloedgroep-gen door aan het kind.

Een bloedgroep is met name  belangrijke bij een bloedtransfusie; (het overbrengen van bloed van iemand anders in de ader van een patiënt)  zowel donor als ontvanger moeten compatibele bloedgroepen hebben omdat anders gevaarlijke afweerreacties kunnen optreden.

“Gewone” mensen hebben rood bloed, van adellijke lieden zegt men dat ze blauw bloed hebben.
Die uitdrukking :blauw bloed is waarschijnlijk terug te leiden tot de tijd dat veel mensen op het land werkten en door het buitenwerk een kleurtje kregen. De adel hoefde NIET te werken ( dat lieten ze anderen voor zich doen) en hielden dus een witte huid, waardoor hun blauwe aderen goed te zien waren; vandaar blauw bloed.