Een Amsterdamse

In het winkelcentrum is een nieuw kledingwinkeltje gekomen.
Er hangen fleurige blouses, rokjes, jurken en broeken buiten.
Er staat een handgeschreven bordje bij: ALLES € 15, OOK BINNEN.
Welke vrouw kan dat weerstaan?
Ik loop naar binnen.

Er staat een dame bij de balie met een blouse met een vlekje.
“Gaat dat er nog uit, denkt u?”
De dame achter de balie is eerlijk
– Geen idee. Ik geef ‘m voor € 12,50, probeer het. Gaat het niet, breng je ‘m maandag weer terug, krijg je je 12,50 terug, oke? –
De dame koopt de blouse, want het is de laatste en ze vindt hem beeldschoon, zegt ze. (maar dat IS hij natuurlijk niet, want er zit een vlekje op)

jurkIk vraag of ik een jurkje mag passen.
– Tuurlijk –
Ik maak haar compliment over de afhandeling van de vorige klant.
“Ja zo zitten wij in elkaar, mijn man en ik. Wat je geeft krijg je terug ook “
Er komt een kale man met tattoo binnen, een jurk op een hangertje in zijn hand “Nou dan heb ik nog heel wat van je tegoed” zegt hij lachend.
“Mijn vent” zegt ze tegen mij
“We komen uit Amsterdam, daar wonen we”

 

Ik vraag hoe ze dan hier terecht komen.
Onderwijl komt er een dame met een rollator binnen
“Hé, Annie” groet de eigenaresse de klant
– Heb je iets met een kragie? –
“Nee, Annie momenteel niet, zal ik het aan mijn moeder meegeven als ik wat met een kraagje heb? Dan kun je het thuis even lekker passen”
En tegen mij “Dat is de buurvrouw van m’n moeder, die zit hier in het rusthuis. Zodoende zitten we hier. Ik zag dat winkeltje vrijkomen, ik denk dát is van ons”
Annie rollatort de winkel uit en zwaait “Fijn meid, geef maar aan je moe mee”.

Ik pas en het past.
Vijftien euro’s wisselen van eigenaar.
– Weet u, we moeten het hebben van mond tot mond reclame.
Laatst zaten er 2 dames in het ziekenhuis hier over onze winkel te praten, een derde luisterde mee. Toen ze klaar was in het ziekenhuis is ze meteen hierheen gereden. Heb ik ‘r een blouse verkocht. Leuk toch? –
Ik beaam en loop met mijn zakje de winkel uit.
Een aanwinst dit echtpaar mét hun winkel.

 

Onbeschoft, onbeschofter

De laatste tijd kom ik regelmatig met een grote hoeveelheid dozen bij de Kringloopwinkel omdat we het huis van mijn overleden broer aan het leegruimen zijn.
Op een keer sprak één van de vrijwilligers me aan: “Is het niet makkelijker als wij met ons busje een keer bij U langs komen? Dan hoeft u niet elke keer zo te sjouwen?”
Ik vertel dat het aanbod geweldig lief is, maar dat het huis dat we aan het leegruimen zijn, in de Achterhoek staat.
– Waar in de Achterhoek? –
Ik vertel het hem en hij zegt dat als we hun vrachtautootje vol aan lading hebben hij daar best heen wil rijden. “Wil je aan ons denken, als je een busje vol hebt? ”
Dat beloof ik.verhuisdozen

Onlangs zijn we op het punt in het huis leegruimen gekomen dat daar de hele huiskamer vol staat met dozen (serviesgoed, snuisterijen, keukengerei, fotopapier, bureauspullen en boeken) en alle meubels die nog goed zijn. Er zou wel een busje volgestopt mee kunnen worden dus ik ga naar de Kringloopwinkel hier. De vrijwilliger waar ik meegesproken heb is er niet, ik weet zijn naam niet, dus ik beschrijf hem en vraag naar hem. Hij zit op het busje ”ergens” langs de weg, maar waar gaat mijn vraag aan hem over?
Ik vertel het aan een dame en zij roept er een man bij. Ik heb het woord Achterhoek nog niet genoemd of hij roept “Geen sprake van. Weet u hoever dat is?”
Ik weet dat ( rij dat al 2 ½ maand minstens 2 x per week) maar krijg geen kans om te antwoorden “Dat gaat niet gebeuren, belachelijk”
Ik zeg dat ik me kan voorstellen dat het ver is, dat ik het ook nooit gevraagd zou hebben maar dat één van de medewerkers gevraagd had “of ik aan hen wilde denken als ik een busje vol goederen had. Nu gaat de man een tandje harder praten ”Dat kan hij wel zeggen, maar IK ben de baas, en we doen het niet, belachelijk” Hij draait zich om en loopt weg. Ik sta daar tegen een weglopende rug te kijken.

Dit hele gedoe zit me niet lekker en als dit “bezonken is” en, na een paar dagen, de Kringloopwinkel weer open is rijd ik er nog even heen (ik heb nog spullen te brengen ook)
Ik zie de vrijwilliger die het me oorspronkelijk gevraagd had, overhandig hem de spullen en vertel wat “iemand” binnen zijn organisatie NIET klantvriendelijk en min of meer onbeschoft tegen me gezegd heeft.
Hij vraagt WIE dat zei en  maar ik ken de naam niet: – Hij zei dat hij de baas was –
“Dan zal het de voorzitter zijn geweest”
De vrijwilliger weet niet zo goed wat hij met me aan moet “Jammer dat ‘t niet mag”
Ik zeg hem dat hij de regels misschien intern even moet bespreken, want dat het voor de klant sneu is als iets gezegd wordt en later niet kan. Hij knikt. Ik zeg dat ik zal proberen nog dozen die ik WEL mee kan nemen hier te brengen.
“Fijn”zegt hij en gaat een busje uitladen.

Ik loop weg. Hun tweede busje komt er aan. De twee mannen die me de vorige leegruiming hebben geholpen stappen er uit en groeten me.
Dan zie ik ook de man die me onheus bejegende.
Het is niet “netjes” om over iemand te klagen en het niet de persoon zelf te zeggen dus ik loop op hem af en zeg dat ik het vrijdag niet “netjes” vond gaan.
Hij kijkt me vragend aan (een geen-idee-waarover-je-het-heb-blik)
“Ik vertelde dat een medewerker gezegd had………..”
– O ja, de Achterhoek, belachelijk dat DOEN we niet.
“Ik kan begrijpen dat jullie het niet doen, maar zoals u me te woord stond was niet netjes, ik ben wel een klant”-
– Mens, weet je hoever het rijden is, dat is toch belachelijk –
Ik wijs hem er nogmaals op dat ik SNAP dat ze het niet doen, maar dat een medewerker van hem het aanbood en……….
NU wordt de man bloedlink: “IK ben de baas, en hij (wijst op een man die aan de tafel buiten zit) is mijn tweede man, wij bepalen wat er gebeurt.
Misschien had je eerst moeten vragen wie er gaat over dit soort zaken in plaats van………..” Nu interrumpeer ik:
– Het is toch een vrijwilligersorganisatie, jullie werken toch mét elkaar………-
“Ik ben de baas en bepaal wat er gebeurt”
Het machtswellustelingetje is nu op stoom, maar mijn adrenaline stroomt nu ook:
– Ik heb 3 leegruimingen van huizen gedaan en alles aan jullie gegund, maar ik weet niet of ik  dat blijf doen –
Hij briest “Nou dan ga je hier toch weg, ik slaap er geen nacht minder om als je niet meer komt”
Nu ben ik verbijsterd.
Er staan vrijwilligers binnen stembereik. Niemand reageert.

Ik  sluit af, hij WIL me niet snappen en weigert naar zijn eigen gedrag te kijken
“Ik zie dat we niet verder komen, ik vind u niet beschaafd…”
Hij onderbreekt me “Mens dat ‘t is toch belachelijk zo’n eind rijden”
Nu ben IK het die wegloopt.

Laatste keer daar geweest?
Voor één zo’n eikel? (Wel een voorzitterseikel!)
Er hebben nogal wat vrijwilligers dit gesprek gehoord, zou dit muisje een intern staartje hebben?