De billenman

Omdat we zin in een eitje hebben fietsen we naar de plaatselijke boer om, na € 2,- in het op het plankje vastgeschroefde geldkistje gestopt te hebben én een leeg eierdoosje neer te zetten, 6 eitjes te mogen meenemen.

Omdat het warm is en er vlakbij een ijssalon met heerlijk ijs is, rijden we daar even langs. Er staat een mega lange rij met kinderen voor de deur. Mij schrikt dat niet af, manlief wel, dus ik ga er tussen staan.
Het zijn zonder uitzondering zwartgekleurde kinderen, licht en donker. Naast me staat aan de ene kant een dik zwart jongetje, aan de andere kant een smal hindoestaans ventje met een brutale oog opslag.
– Vindt u hem mooi  – hij wijst met zijn vingertje op het dikke jongetje.

Ik vind mensen zelden mooi.
Interessant, intelligent, intrigerend, kan allemaal, maar MOOI?

Ik zeg  dat ik “mooi” geen toepasselijk woord  voor een mensenuiterlijk vindt, wel dat hij “een leuk koppie” heeft ( dat heeft hij ook)
Ze grinniken allebei.
De rij schiet niet echt op. Mijn lief is verderop gaan staan.
Een oudere dame achter me, neemt een omweg om de rij heen en verdwijnt.

– Vindt u mij mooi? – het Hindoestaanse jongetje houdt vol
Ik ook.
Jij hebt ook een leuk koppie.
– Ja, maar ben ik mooi? –
Ik vindt mensen niet mooi! Wel bijzonder, aardig of leuk.
Ze grinniken allebei.

In de heg staat een klein verlegen jochie naar ons te kijken
– Hoe vind je hem dan? – het Hindoestaanse jongetje geeft niet op.
Het verlegen ventje kijkt woedend en dringt zich nog verder in de heg om niet op te vallen.
Ook leuk.  Geef ik terug.
Op dat moment zie ik de oudere dame van eerst, vanuit de ijssalon wenken.
Het lijkt wel naar mij, maar ik ken haar niet.
Ze maakt gebaren, die duidelijk maken dat IK naar binnen moet komen.

Het jongetje heeft nu een ander onderwerp gekozen.
Het mooi-vinden is kennelijk passé!
Nu priemt hij met zijn vingertje naar me” Ik hou van billen.”
DIT is het moment dat ik ZEKER weet dat die mevrouw binnen MIJ moet hebben en ik ga langs de rij naar binnen.
“Die kinderen moeten in de rij staan, maar hier wordt gevraagd wie ze kunnen helpen, dus ik denk ik roep u maar even.”
Ik bedank en bestel mijn 2 ijsjes, die ik prompt krijg en kan betalen.
Ik ben gered van de jonge “billenman”

Tegengestelden

Omdat ik osteoporose heb en veel moet bewegen, fiets ik een aantal dagen per week ’s morgens om 8 uur naar een naburig dorp om de dagelijkse boodschappen te doen, dan heb ik een doel (ik ben niet zo gek op fietsen) en heb ik ’s morgens meteen al mijn spieren losgemaakt, waardoor de dag goed kan beginnen.

wc2Bij het winkelcentrum waar ik heen fiets zijn fietspoortjes ( ik heb er al eens iets over geblogd).
’s Morgens is het vrij stil en rijd ik (beken het eerlijk) wel eens door de poortjes heen zonder af te stappen. Zo ook vanmorgen weer.
Er liep één middelbare heer.
Hij ging enorm tegen me te keer:
“Ik hoop dat je een bekeuring krijgt” was het laatste dat hij riep.Hij moest naar dezelfde supermarkt als ik.
Voor de deur keek hij me vernietigend aan.
Ik glimlachte naar hem (boos gedrag belonen met een lach)

Bijna elke dag kom ik een oude, Turkse meneer tegen.
Hij is klein, heeft altijd een soort kaki visvest zonder mouwen aan ( met van die vakjes)
Hij loopt, ik fiets.
Wanneer en hoe het begonnen is weet ik niet meer, maar wij groeten elkaar altijd
Vandaag kwam ik hem voor het eerst tegen vlak na het poortje bij de supermarkt.

Ik knikte, hij pakte mijn hand, drukte er een kus op en zei “Goed” met een vragend hoofd.
Ja, met mij gaat het goed? Met u ook?
Hij knikte en lachte.
Later zag ik hem een kopje koffie drinken bij de supermarktautomaat, hij knikte me nogmaals toe.

Vanmorgen twee mannen ontmoet (mijn eigen sliep nog toen ik de deur uitging) twee verschillende manieren van benadering meegemaakt.
Geef bij de Turkse benadering maar.